Skip to content

Onderwijs: Het gebied, niet alleen de kaart

Is leren het kennen van de kaart van het gebied? Zou het kunnen dat we ons dermate fixeren op de kaart dat we het gebied niet meer weten? Karin Melis buigt zich erover.

“Als ze lang genoeg gevoerd zijn om nieuwsgierig rond te gaan kijken, als ze zich af gaan vragen waar de ouders het eten vandaan halen, laten de arend-ouders zien hoe ze hun kop tegen de wind in draaien, de luchtstroom onder hun vleugels vangen om dan langzaam voor de ogen van hun jongen op te stijgen en weg te vliegen. Op een dag, als de jongen begrepen hebben hoe je de wind opzoekt, moeten ze de moed vinden om hun vleugels te spreiden en zich te laten vangen door de wind. De vader zweeft onder hen en als er eentje uit de lucht dreigt te vallen, zweeft de vader onder het jong om hem op te vangen op zijn vleugels.”

De modderige wegen zonder naamborden die we gaan. Het anonieme asfalt weg zoevend onder de autobanden. De wateren met de onzichtbare evenaar, waarover we vluchten met gevaar voor eigen leven of die we moedwillig overgaan om reikhalzend ergens anders aan te komen. De moeizaam bevochten paden die we ooit onbegaanbaar vonden. Dit steeds maar weer op weg gaan, eruit gaan, op zoek gaan, of dat nu letterlijk of figuurlijk is, het is de weg van de mens die telkenmale zijn spreekwoordelijke tent opbreekt om het geluk elders te beproeven. Dit gaan is zijn leven, zijn leven is het gaan. En steeds doemt daar de vraag op: waar ben ik eigenlijk? Waar kan ik naar toe vanuit het punt waarop ik ben beland? Met je ogen zoek je naar een (uit)weg. Het is het spel van het onbekende met het verlangen dat het vreemde ons vertrouwd wordt.

Er wordt wel gezegd: het leven is een reis. Niet die van louter toeristische reisbestemmingen, want daarover mogen we ons steeds afvragen waar die opgedane vergezichten zijn gebleven, verdampt in de waan van de dag die onvermijdelijk heerst over de plek die we ons thuis noemen? Zijn het vluchtige belevingen? Of zijn het ervaringen die een spoor in ons binnenste achterlaten die het pad van ons leven een beetje doet afbuigen, zodat alles toch anders gevonden wordt? Met andere woorden: heb je ervan geleerd? Wat is dat, leren – in het perspectief van weggaan en aankomen, of het bekende achterlaten om het onbekende toe te laten? Is dat de diepere betekenis van uitspraken als: verlaat je comfortzone, denk uit de box? Vraag ik me af: kennen we die comfortabele zone en ook, waar is die box? Trouwens, wat zit er in die box?

Leren is innerlijke groei, is het opengaan van werelden die je tevoren niet kende, is het laten opbouwen van de coördinaten van een referentiekader, dit is dat en dat is dit. Die coördinaten zijn als de matrixborden boven de snelwegen: hier even langzamer, daar wat sneller gaan, gelijkend ook op wat we met een paar vingerbewegingen doen als we navigatiesystemen bedienen: ah, daar ga ik naar toe, zó kom ik er, zó vergaar ik kennis op de server. Is dat het? Is leren het kennen van de kaart van het gebied? Zou het kunnen dat we ons dermate fixeren op de kaart dat we het gebied niet meer weten?

Vertrouw je er op dat je weer thuiskomt? Dan heb je vertrouwen in anderen nodig die je daar brengen. Of blijf je binnen, in het vreemde, tijdelijke huis, op het resort, omdat daarbuiten gelijk staat met de angst van niet weten waar je bent, laat staan dat je weet welk gebied je hebt doorkruist om er te komen?

Is leren een innerlijke noodzaak, iets wat meegegeven is met onze condition humaine?  Het eerste dat we leren kennen, zijn de mensen die ons op de wereld zetten. Zij leren ons van alles en nog wat: glimlachen, praten, lopen. Lopen betekent dan ook meteen weglopen, de wereld ingaan. Zij die ons allereerst herbergen, moeite doen een thuisgevoel op te wekken bij ons nieuwkomers, doen dat met een paradoxale bedoeling: praat, lach, loop…ga weg, trek de wijde wereld in. Ontdek, zoek het zelf uit, als het even meezit in de meest liefdevolle zin van het woord. Deze mensen die aan onze wieg staan, zijn onze verzorgers en opvoeders van onze oorsprong. En zij zijn ook onze allereerste bemiddelaars van de (ervarings)kennis van ons nieuwe thuis: de wereld. Onze allereerste leraren. Wat hun leraarschap zo voorbeeldig maakt, is dat zij, die ouders, in liefde en in confrontatie met het eigene en het vreemde in hun kinderen, meegroeien.

Aan weerskanten wordt hier onuitwisbare (ervarings)kennis opgedaan. Het is een oude wijsheid: het vakmanschap van een leraar, een meester, is zijn eigen bereidheid tot leren: de ogen te laten openen, anders te kijken en zien, te ontvangen en daarin het oude achter zich te laten en het nieuwe toe te laten. Inderdaad, hier wordt geschuurd, hier gebeuren er aanvaringen, hier kunnen goede bedoelingen ontsporen. Grootse literatuur wordt er over die prille ontmoetingen geschreven. Want die ontmoetingen zijn, goedschiks of kwaadschiks, zo indrukwekkend dat zij gedeeld moeten worden. Zodat lezers zich aan die ervaringen kunnen toetsen, zich eraan kunnen vasthouden of juist zich ervan af kunnen wenden, een nieuw spoor vinden.

Ja, want wat is ervaring als zij niet gedeeld wordt? Wat heb je aan inzichten of aan kennis als die ongekend opgesloten zitten? Denk aan ongezongen liedjes, ongelezen boeken, ongeziene films, onvertelde verhalen. Ja, wat heb je aan je waarneming als zij ongedeeld blijft, soms omdat de taal je ontbreekt, soms omdat je mond wordt gesnoerd? Zo bezien leggen onze meesteressen en meesters, onze leraressen en onze leraren voortdurend getuigenis af van de wereld en haar verloop: kijk hier, kijk daar, dit is belangrijk, nee, dat nemen we gewoon op de koop toe, daar moet je oppassen, want daar zit een geschiedenis aan vast, kom eens bij me zitten dan vertel ik je wat ik gehoord, gezien, gelezen heb… Het verhaal van het waardevolle of juist volkomen waardeloze dat ons niettemin gebracht heeft op het punt waar we thans zijn.

Zoals een jonge arend niet over de rand van het nest kan kijken, zo kan een kind niet achter zijn horizon zien wat de ouder wel ziet. Niet alles is het vertellen waard, of nog niet, misschien later, maar de ouder weet uit eigen ervaring wat zij zelf belangrijk vond en waarom en wanneer. De ouder is ook de poortwachter van het onbekende, het verder laten gaan van het kind door de poort die het kiest.

Vergelijk deze blikverruiming met de fietser die besluit zijn capuchon af te doen. De capuchon, de verstoffelijking van de spreekwoordelijke oogkleppen, beschermt niet alleen tegen de regen, zij sluit de wereld ook uit. Tegelijk gaat de fietser ervan uit dat die wereld rekening houdt met allerlei verkeersmatige manoeuvres. De oren zijn bedekt door de capuchon, zij horen de wereld niet. De fietser hoort niet dat de wereld tegen hem of haar spreekt, haar iets te zeggen heeft, hem uitnodigt tot deelname, rekening te houden met de omringende werkelijkheid: jij daar. Leren is dan ook weet hebben van deze wereld en van allerlei mogelijke werelden, waar we iets te zeggen hebben, waar we antwoord geven: hier ben ik.

Ons onderwijs, onze kennisvergaring is bemiddeld en dus niet waardenvrij. Integendeel, dit richten en openen van de blik, van ons hart, van ons denken, van ons spreken en handelen is bezwangerd van ethos, de wieg van onze moraliteit. Deze moraliteit is niet de opsomming van het goede en het kwade, de ge- en verboden. Als we de verhalen van de wereld en de aarde leren kennen, worden we deelgenoot, getuige en reisgenoot. Wat je hoort kan niet worden ongehoord, wat je hebt gelezen kan niet meer ongelezen zijn en wat je hebt gezien is voor altijd gezien.

Woorden van

Karin Melis

Gepubliceerd op

Geplaatst in

Lees hierna

Dit zijn woorden van

Karin Melis

Filosoof en publicist

1 reactie

  1. paulette op 26 maart 2020 om 14:10

    Zoooo ik heb weer iets om over na te denken😉 Heel mooi geschreven Karin, dank je wel🙏🏻

Laat een reactie achter