Hoe licht is je schaduw?

Als aan de grond genageld staart het meisje naar een bordje op het strand. Het lijkt op een waarschuwing, een verbod misschien wel. Op armslengte staat een niet zo’n oude man. Zij ziet hem niet, zij ziet alleen onbegrijpelijke woorden. We schrijven 1968, Muizenberg, Zuid Afrika.

 

Muizenberg, 1968 – Tegen de zijkant van de grijze, ongetwijfeld tweedehandse Ford Taunus leunen quasi nonchalant een vader en moeder met hun kinderen, maar er is niemand die naar hen kijkt. Er is dan ook niemand op deze wijde zandvlakte verdwijnend in een verre zee te bekennen. Behalve een meisje, maar ook zij heeft geen oog voor de verkapte reclame op het strand van Muizenberg. De vader met een sigaret al net zo losjes tussen zijn vingertoppen als het vestje rond de schouders van de moeder. Onder dat vestje draagt ze een jurkje, een knipoog naar Marilyn Monroe. De kinderen klunzig in de groei. Vanaf een slordig gestort reep beton, dikke klodders zijn gestold op het witte zand, kijkt het meisje afwisselend van een houten bordje scheef getimmerd op een smalle, manshoge plank naar het strand, haar blik eindigend op haar voeten in sandalen op het beton. En weer terug. Slegs vir blankes. De woorden, simpel en doeltreffend, zijn er met zwarte verf neergekwakt. De ogen van het meisje gaan steeds terug naar die woorden alsof die hun betekenis aan haar zullen prijsgeven als ze maar lang genoeg kijkt.
De familieleden bij de auto, het kan niet anders dat zij bij hen hoort, want ze draagt eenzelfde zomerjurkje als de meisjes daar, zijn gestopt met gillen en roepen, driftig hadden ze met inhalende armbewegingen naar haar gebaard dat ze naar de auto, naar hen moest komen. Er is niets in haar dat aanstalten maakt, ziet hij uit zijn ooghoeken. Versteend staat ze op armslengte. Even glijdt haar blik schichtig om zich heen, maar haar ogen zien niets of niemand.
Deze niet zo’n oude man die naast haar staat, draagt een vaal T-shirt met zwart-gele, overdwarse strepen, de zolen van zijn gympen worden door omwikkelde veters op hun plek gehouden. Het is deze man die het meisje volgt. Lopend, sjokkend in haar schaduw, zonder reden, als een ongewilde bestemming die hem op pad stuurt. Alles maakt een verpletterende indruk op haar. Dat heeft hij al eens gezien, haar blik van verbijstering grenzend aan wanhoop. Volgens hem was dat de eerste keer dat hij haar in de smiezen kreeg, hij kan er ook naast zitten, sinds hij hier in dit godvergeten land is, verzuipt de chronologie van zijn levenswandel in een wirwar van indrukken. Terwijl, wat was het nou helemaal, het was gewoon een meisje, een kind haast nog, dat stilstond als een vastgelopen dwaling van de geest. Het was ergens temidden van de kluwen mensen waar de straten van Distrik Ses zich naar gevoegd hadden. Het gezin waar ze bij hoorde en dat hij later op het strand van Muizenberg zag, moet ver voor haar uit hebben gelopen, toen had hij de mensen waar het meisje bij hoorde in elk geval niet gezien. Maar daar stond ze dan, stokstijf starend naar een of andere onverlaat, dronken liggend in de goot. Haar armen hingen langs haar lichaam, het waren de gebalde vuisten die alles in hem op scherp zette in afwachting van het moment dat ze de kinderhanden opende om naar de dronkenlap uit te reiken. Dan zou hij moeten ingrijpen, weet jij veel wat zo’n vent zou uithalen, die begreep een helpende hand immers niet. Hij had zijn adem ingehouden, natuurlijk kon hij niets doen, mensen zouden hem krijsend in de kraag vatten, nietsdoen was zijn natuurlijke staat van beschuldiging. Beter was te doen alsof hij niet bestond, samensmeltend met om het even welke achtergrond.
Het was de vader van het meisje dat ingreep, rennend stormde hij op haar af en gooide haar over zijn schouder, zijn rechterarm om haar heen knellend, onderwijl roepend, waar was je nou, boos verwijtend, de stem van bezorgdheid.
Er was een tijd dat hij die zelf had gehoord, waar was je! Maar nu beving ook hem de verbijstering die hij zo-even bij het meisje had gezien. Hij staarde naar de lege plek die ze achter had gelaten. Zonder zijn hoofd te bewegen, scherpte hij zijn blik en zocht vanuit zijn ooghoeken de omgeving af, alles zag er anders uit. De ruimte tussen de dingen, gebouwen en mensen was veranderd in leegte. De mensen die elkaar verdrongen langs de weg, de kinderen die lukraak de straat op renden, de zoektocht naar een klinkende munt in hun smoezelige handen was zonder einde, de mensen en de kinderen, ze werden niet meer bijeen gehouden. Wat was er gebeurd?Naderhand bedacht hij dat dit het moment moet zijn geweest dat hem in beweging zette haar te volgen als in een onbedwingbare poging die leegte te vernietigen. Het gaf zijn zwervend bestaan focus. Zoals het lichaam steevast voorkennis heeft, was hij daar in Distrik Ses reeds in de benen. Tussen zijn oogharen liet zijn blik de lichtgele kleur van haar jurk niet los. Ver genoeg van het gezin verwijderd om op te kunnen vallen.
Hij legde zijn zwerftochten, of beter vervolgingen, vast in routebeschrijvingen, in loze momenten lardeerde hij ze met getekende herinneringen. En met woorden, de woorden die hij hier hoorde en zag, leken in niets op die waar hij vandaan kwam. Slegs vir blankes, ook die schreef hij op en tekende het houten bord ernaast. Die woorden waren hem ook vreemd en toch ging er een dreiging van uit. Het gezin van het meisje sprak een taal die er een beetje op leek, maar de klanken waren harder, een beetje verbeten. Zo probeerde hij grip te krijgen op hun gangen, of beter, háár gang. Of die nu onder de hoge bomen door naar school ging in haar uniform en afgezakte kousen in lelijke zwarte schoenen. Of haar vrijdagse gang met haar vader naar de markt voor allerlei soorten gekleurde groenten en kreeften die gillend in kokend water hun dood vonden.
Zijn gympen werden steeds minder waard. Maar dat loste hij op, dit soort dingen loste hij altijd op. De slierten in zijn hoofd die hem vermaanden zich, zoals beloofd, te melden bij zijn oom voor een baantje zodat hij een steentje kon bijdragen nu zijn vader hulpbehoevend was, hij liet ze gaan zoals ze gekomen waren. Niet nu. Niet nu hij aan schoeisel moest zien te komen.Hij moest weg, weg van die slierten waarin de gesloten ogen van zijn vader scholen, hij moest naar Kaap die Goeie Hoop, die woorden had hij al opgeschreven. Hij had ze gehoord uit de mond van haar vader die op de markt de boodschappentas vol laadde met ananas, sinaasappels, granaatappels, aardappelen ondertussen zeggend: we gaan zaterdag naar Kaap die Goeie Hoop en het meisje had die woorden bedachtzaam herhaald.

Gehurkt in het struikgewas zag hij haar naar beneden lopen. Helemaal alleen. Hoe dwaas kun je zijn? Ze keek naar het afdalende pad alsof ze iets zocht. En opnieuw stond haar familie te wachten, ditmaal wat gelaten.

Het viel het meisje tegen, de weg naar beneden was wel heel erg lang. De hoogte van de hemel en de steilte van de berg onder haar naar beneden stortend, schokten haar voeten en heupen. Naar boven lopen is kennelijk toch gemakkelijker. Een rat snelde rakelings voor haar voeten weg de lage begroeiing in. Voor een enkel moment verlichtte het beestje haar eenzaamheid en leidde haar af van haar tirannieke drang naar beneden te gaan.
Het rateltreintje naar de top, hoe kon ze vertrouwen op wat mensenhanden maakten?
Met argusogen had ze naar de knarsende radartjes gekeken die hen naar boven trokken terwijl ze onder het treintje verdwenen. Het was zo ontstellend hoog, het greep haar naar de keel, ze moest eruit, ze moest terug, terug naar beneden. Kaap die Goeie Hoop, hoe had ze zich er op verheugd, de woorden klonken als een belofte, het goede, de hoop. Zoals de rode zonnegloed op de kale rotsen van de Tafelberg die ze vanuit haar kamertje in de vroege ochtend zag, haar vervulde met vage, blijmakende gevoelens. Een belofte, maar zou je haar vragen wat die belofte inhield, ze zou je verlegen aankijkend het antwoord schuldig blijven.
In het benauwende treintje waren haar broer en zusjes een beetje verveeld, ze pestten elkaar stiekem schoppend en knijpend, terwijl zij met haar voorhoofd tegen het raampje op de radartjes lette. Niets heeft ze gezien daarboven op de top, behalve het enkele pad dat haar terug zou brengen. Ze begon meteen aan haar terugtocht de dringend vermanende stemmen van haar ouders achter zich latend. En toen zij even later zag hoe haar ouders en broer en zusjes, in dat naar beneden knarsende treintje naar haar schokkende bewegingen keken, lachten en zwaaiden, was haar blik donker; de transformatie van weggaan in verlatenheid.
De zon in de wind prikte haar blote benen. Achter haar rees Kaap die Goeie Hoop op, onverzettelijk, magistraal. Voor haar neergeslagen blik dansten helder groene vlekken van lage begroeiing lukraak onderbroken door bloemen met onbenoembare kleuren die uit de aarde dampten. En al besefte ze het niet, het was er als een waakzaam oog op de jonge gestalte van het meisje dat met innerlijk verbeten tranen naar beneden liep. Ongezien was hij de enige die dit zag.

Kun je iemand navoelen en toch niet begrijpen? Begreep hij zichzelf wel? Wat deed hij hier, waar dan ook eigenlijk? Hoe dichterbij je komt, hoe groter het raadsel ontdekte hij toen hij zich op een middag bij de vader aanbood als hulpje in de tuin. Hij zag de man wat doelloos rokend in die tuin staan, zijn blik was luchtledig en toen kreeg de niet zo oude man die de dochter schaduwde het idee om precies hier de belofte aan zijn moeder in te lossen. Niet dat hij ook maar enig benul van tuinieren had, daar waar hij vandaan kwam, hadden ze geen tuinen, maar de vader die hij rondom het huis leerde kennen als een man die steevast een helm op had als was hij ook thuis bouwopzichter, vroeg niet naar papieren. In plaats daarvan wees hij naar de tralies voor de ramen, ‘mijn dochter denkt dat we opgesloten zijn vanwege een gepleegde misdaad, maar ze gaat evengoed elke dag naar school, dus valt het kennelijk wel mee met die gevangenis. Kijk, daar in die kleine huisjes op het platje is je slaapplek, samen met de chef van de tuin, het andere huisje is van de huishoudster’, de vader keek even vertwijfeld om zich heen alsof hij zich in gedachte afvroeg hoe groot hun tuin eigenlijk was. ‘Wil je iets drinken? Een flesje cola?’ Hij keek naar zijn gestolen, tweedehands gympen die hem perfect pasten, hij was verlost van het gedoe met de veters. Nu zijn broek nog, de gaten vielen er nog net niet in, maar een touwtje rond zijn middel is misschien niet aan te bevelen als hulpje in de tuin. Dat moest hij snel oplossen. ‘Hier, een lekker koud flesje, mijn kinderen drinken ook cola.’ Kinderen, was hij zo jong, was hij een joch? Zijn nieuwe baas streek verstrooid met het uiteinde van zijn sigaret over zijn voorhoofd, daar waar de haargrens week. ‘Je kunt meteen beginnen, hoor, als je dat uitkomt. En vannacht kun je gewoon hier slapen. Ik zal de chef-tuin inlichten. Oh ja,’ zei hij toen hij wegliep, ‘je mag niet bij ons binnen komen. Dat wil mijn vrouw niet. Geen idee waarom, de huishoudster is tenslotte ook binnen.’

Is dit wel een tuin? Het lijkt eerder een stuk verwilderd begroeid land, waarop een huis was neergezet als een soort afterthought. Alles wat hier groeit en leeft, maakt de dienst uit, het is het gemeenschappelijke thuis van hagedissen, slangen, insecten in alle soorten en maten, vogels. Er is zoveel kleur dat je ogen het haast niet kunnen verwerken, wat voor wereld heerst hier? Rozen gedragen zich als een klimop, liefdevol en zorgeloos kronkelend rondom de stammen van welke bomen dan ook binnen hun bereik. Ondertussen dampt de aarde, je ziet haar dampen als luchttrillingen in de hitte. De lucht, zij hangt zo zwaar, bezwangerd door houtachtige en zoete geuren, het doet je snakken naar zuurstof. Er zijn bomen, veel bomen, een pruimenboom staat onverwacht soeverein apart, de takken sterk en stevig dragen hun zware vruchten uitdagend, het duurt niet lang meer eer ze zich losmaken van hun dragers. Blauwe hortensia’s verdringen elkaar goedmoedig in een haag. En dan, je moet even bukken, onder een licht doorlatend dak van laag hangende takken een stenen tafel, met wat proppen zitten de zes gezinsleden er weleens te eten, vaak in gesmoorde stilte. De reusachtig hoge cactussen oprijzend tegen de achtergrond van de Tafelberg zijn ongetwijfeld de wachters.
Onder het dak van gebladerte zit het meisje met een aardappelschilmesje aan de stenen tafel, naast haar op de bank, eveneens van gehouwen natuursteen, een stapel bruin gekafte boeken en schriften. Met het mesje verwijdert ze het mos van het tafelblad. Het schiet niet erg op, met de opgetrokken benen gevangen in haar armen op de stenen bank, staart ze met een verre blik naar god mag weten wat, haar blik moet de wegschietende hagedissen vangen al wordt de roerloosheid geen moment onderbroken, die blik moet ook bloemen, bomen, de siddering van de aarde vangen. De herdershond van het gezin ligt op de grond onder haar blote voeten, al net zo onbeweeglijk. De tuinhulp, deze niet zo oude man, staat op een afstand, half verscholen achter een struik naar haar en de hond te kijken. Hij weet niet goed wat hij ziet, wat hij ervan denken moet en verzinkt zelf in gedachteloosheid, zijn hoofd rustend op de stok van de bezemsteel. Hij doet niet veel meer dan vegen en bladeren oprapen. Maar van de reden voor zijn sollicitatie ziet hij niet veel meer dan zo nu en dan een schaduw, ze lijkt steeds in de weer te zijn met haar moeder, zusjes, broer, huishoudelijke klusjes. De roerloosheid strekt zich uit en raakt iets aan dat hij alleen als vrede kan duiden, ademend op het kloppende hart van de aarde. Er is stilte, vertraagde ritseling van een pootje hier, een bloemblad daar, slierten in hoofden verdampen.
Bulderend verscheurt de stem van de vader het tafereel. Uit het niets verschijnt hij daar, groot in tomeloze drift. Verschrikt schiet de hond in de poten, staart verdwijnend tussen zijn poten, jankend opkijkend. Het meisje schiet in de werkhouding, het mesje lukraak schrapend over het stenen blad. Of ze nou nog niet klaar is, schreeuwt hij haar vloekend toe. Ze siddert als zijn uitslaande voet rakelings de kop van de hond mist.

Uiterlijk verstrooid, oplossend in geboomte en gestruikte, veegt de tuinhulp verder. Hoe kan dit, bonkt het in zijn hoofd. Hoe kan dit? Hoe kan deze man die hem een koud flesje cola en werk heeft gegeven en dus zijn moeder geld al weet hij dat natuurlijk niet, hoe kan deze man sinaasappels in de boodschappentas, die het meisje openhoudt, gooien en praten over Kaap die Goeie Hoop? Er verschuift iets in hem. Het zachte geritsel, de warmte van de zware geuren, de vogels die zich onzichtbaar roeren en het tjirpen van de krekels, de aanwezigheid van het meisje, waarom viel alles steeds uit elkaar? In zijn thuisland kende hij dit niet, alles was daar vertrouwd, alles was daar deel van hem zoals hij deel uitmaakte van het geklepper van de geribbelde golfplaten op hun hutten, de korrelige aarde onder zijn voeten, de brommers remmend stof opstuivend, de zuchten van zijn moeder, de gesloten ogen van zijn vader. Hij wilde niet naar de brommers, zijn vader en zijn moeder. Het was niet veel, maar hij stuurde nu wekelijks geld met een postwissel. Hij moest hier blijven voor dat meisje, al had hij geen notie waarom, hij kon niet anders. Misschien gaat dat wel zo, in dit leven.

Toen de vader met de kinderen de Tafelberg ging beklimmen, ze wilden er bovenop staan en heen en weer lopen, zover is het nooit gekomen, steile rotsen blokkeerden hun pad, was zijn schaduw bijna opgemerkt. Op haar sandalen liep het meisje voorop, in haar hand een dikke tak. ‘Zolang we naar boven gaan, zijn we op de goede weg,’ zei de vader. De naar de hemel reikende boomtoppen ruisten, water stroomde schitterend in de zon naar beneden, struiken schuurden hun blote benen. Zomaar vanuit het niets, of vanuit dit alles, deze geborgenheid schenkende omgeving die schijnbaar onveranderlijk was en eeuwig zou voortduren, begon het meisje, enthousiast zwaaiend met haar stok, luidkeels te zingen. Ze kon de melodie niet houden, maar scheen dat zelf niet op te merken, ze zong alsof er een grote zangcarrière voor haar in het verschiet lag. Iedereen schoot in de lach, maar tegen zorgeloosheid is geen kruid gewassen, ze zong gewoon door in die verbeten taal van hun. Het klonk hem, haar schaduw, als muziek in de oren.
Het pad werd steiler, de adem minder, de muziek verdween tussen de stammen van de bomen en het was toen dat het meisje zei: ‘Pap, ik denk steeds dat ik achtervolgd wordt. Ook als ik alleen naar school loop, voel ik een schaduw, net alsof er iemand is.’ Haar stem klonk een beetje dun. ‘Het zijn je gedachten, fantasieën en dromen die je achtervolgen, geloof me, er is niemand,’ zei hij tegen haar rug en zwaaiende stok. Ze zweeg, ze geloofde hem niet, hij wist niet wat zij voelde. Haar schaduw bevroor gehurkt in gestruikte achter hun. Pas toen hij hun voetstappen niet meer hoorde, verdween hij. Naar hij hoopte geruisloos.

Hij had een vaste plek gevonden waar vanuit hij het gezin kon gadeslaan als ze buiten aten onder het dak van gebladerte. Ook die avond waarop er iets openbrak. Zo kon hij ze niet alleen in de gaten houden, maar ook horen of er plannen in het verschiet lagen. Hij was op zijn hoede voor mogelijk onheil, hier was niets naar wat het scheen. Het zwijgen was voortdurend bezwangerd met spanning. Er werd zelden gelachen. Ook de hond leek er last van te hebben, hij lag nooit onder de buitentafel zoals destijds, hoe lang geleden was dit al, bij het meisje toen ze het mos van het tafelblad met het mesje verwijderde. De hond lag binnen in de brede hal. Bek plat op de grond, oren gespitst, dat had hij zelf gezien toen de voordeur half open stond. Ook de oren van de niet zo oude man waren gespitst, wachtend op namen, het leren van hun taal ging hem maar moeizaam af. Het Afrikaans had hij een beetje geleerd van de koppen van de kranten bij een kiosk. Alle woorden overgeschreven in zijn boekje met routebeschrijvingen.
Groote Schuur. Vrijdagavond. Die woorden op die avond waarop er iets openbrak, ving hij op, de rest ging verloren in hartverscheurend gehuil. De hond, staart tussen de poten, oren plat tegen zijn kop, kwam naar buiten, het meisje was van tafel afgesprongen, stampvoetend, haar hoofd tussen de handen schreeuwend: ‘Nee, niet doen, jullie mogen niet naar de Groote Schuur.’ Keer op keer herhalend, ze leek buiten zinnen. De moeder maande haar tot stilte, beval de vader hier iets aan te doen voordat de buren last kregen. Met spartelende benen werd ze door de vader het huis binnen gedragen. Ze mocht terug komen als ze weer normaal was. En al die tijd leek het wel of de tuin of wat het dan ook mocht zijn, was teruggeweken met haar geritsel, warme dampen, wegschietende hagedissen, haar kleuren.

Het Ziekenhuis Groote Schuur ligt een beetje verhoogd zodat het lijkt alsof het over Kaapstad uitkijkt. Het heeft een brede oprijlaan aangelegd als de sikkel van de maan. Je rijdt de ene kant op en aan de andere kant ga je er vanaf en ben je weer deel van het doorgaande verkeer. Vrijdag- en zaterdagavond trekt de oprijlaan, deze sikkel, veel bekijks van nieuwsgierige mensen. Van begin tot het eind ligt de laan van het hooghartige ziekenhuis bezaaid met mensen, meest mannen. Vaak liggend en creperend of anders wel van de wereld gebracht door drugs. Velen zijn verwond, messen nog in de buik. Overal bloed, overal flessen, vaak ook gebroken flessen nog druipend van het bloed. De gewonden en lavelozen liggen bijkans over elkaar heen gedrukt tegen de kant van de laan, ambulances moesten toegang hebben tot de statige ingangsdeuren. Hier geen bordje Slegs vir blankes. Dat privilege is voor auto’s met opengedraaide raampjes, de omlijsting van gezichten die zich aan dit slagveld vergapen. Ramptoerisme. Het klinkt kil allemaal. Het is vreselijk.

En al bezitten geen van beiden vervoer, het is precies daar in de buurt van die sikkel waar het meisje en haar schaduw elkaar ontmoeten.

Het meisje heeft het niet kunnen voorkomen, het wordt gewoon vrijdagavond. Als het donker wordt, gaan vader, moeder en broer met de auto weg. Ze heeft de huishoudster gevraagd op haar zusjes te passen wanneer ze weggaat. De vrouw staarde haar met een lege blik aan. Ja?, vroeg het meisje nog, maar er verscheen geen gelaatsuitdrukking. Ja dus, sprak het meisje zichzelf moed in. De chef-tuin, zoals haar vader de boomlange man noemt, zal haar in zijn gammele pickup naar de verachtelijke plek brengen. Dat kostte wel wat moeite, de man schudde zijn hoofd, hij leek een beetje boos, zo stuurs keek hij ook als haar vader aan het grasmaaien was. Bijna afkeurend. Misschien, zo dacht het meisje, had ze hem beledigd. Met haar handpalmen voor haar borst tegen elkaar gedrukt, dit gebaar had ze in een van haar schoolboeken gezien, keek ze hem strak aan, net zolang totdat hij begon te zuchten. Hij zou haar brengen op voorwaarde dat ze ineen gedoken in de voetruimte zou gaan zitten. Niemand, zwaaide hij met zijn vinger, niemand mocht haar in de auto zien, had ze dat begrepen? Nee, niet begrepen, maar ze stemde evengoed in.

Het is vrijdagavond, het huis is stil, de zusjes liggen in bed en worden al een beetje slaperig. Zittend op het bed aan het voeteinde valt het meisje ten prooi aan een reusachtige rusteloosheid. Het voelt alsof ze in haar lichaam wordt opgesloten. Angst knijpt alles binnenin haar samen. Ze wil bewegen, heen en weer lopen, maar ze wil niet dat haar zusjes opeens klaarwakker worden en naar haar gaan kijken of ze gek is geworden. Haar handen wringen, ze doen elkaar pijn. Misschien moet ze het niet doen, gewoon thuisblijven en wachten totdat ze weer terug zijn. Die gedachte vergroot haar angst alleen maar. Alles om haar heen, het behang, de gordijnen, de zusjes in bed, is heel erg ver weg, zo ver weg dat ze de zusjes niet eens kan aanraken. Ze moet iets doen. Ze moet naar de Groote Schuur, verder reiken haar gedachten niet. De Groote Schuur wekt een vlammende woede in haar op die de angst overwoekert. Ze staat op en gaat naar het platje achter het huis waar de mensen die hun helpen met het huis en de tuin in kleine kamers wonen of liever, slapen, want overdag doen ze allerlei dingen. Ze wil op de deur kloppen van de chef-tuin, maar die komt in een enkele stap naar buiten alsof hij haar al heeft horen aankomen. Hij zegt niets, glimlacht niet, hij loopt met grote stappen naar zijn gammele pickup. En zij klautert in de auto en krult zich op in de voetruimte van de passagiersstoel. Opnieuw neemt angst haar in bezit.
Het butst aan alle kanten, toch rijdt de boomlange man niet hard, ook niet langzaam. Hij is ook niet boos, voelt ze. Hij is iets anders, maar ze weet niet precies wat. Haar angst valt in slaap, ze wil hier altijd blijven liggen, zo ineengedoken in de voetruimte van de oude auto die haar schommelt. Zo gaat dat niet. Ze heeft het natuurlijk niet zien aankomen, maar zomaar uit het niets stopt de auto. De man kijkt in haar verschrikte ogen, wijst op zijn pols, en vervolgens in de verte. Dan gaat zijn wijsvinger naar haar: één. Eén uur en dan ergens in het haar onbekende daarginds. Met zijn overdwars gestrekte arm gooit hij de portier open, ze rolt bijna uit de auto.
Het is stikdonker. Een zwaar benauwde lucht kruipt in haar mond en neus. Ze proeft iets van staal, roestig staal. De donkerte komt van een struik waarachter ze staat. Op haar tenen ziet ze nu de verlichting van het ziekenhuis en hoort ze geroezemoes. Het geroezemoes is dik en vettig, net alsof het uit verschillende kleverige lagen bestaat, ze begrijpt niet wat ze hoort. Wel het geluid van de af en aan rijdende auto’s herkent ze, het beeld van hun stationwagen doemt op met daarin haar ouders en broer, rondjes rijdend met de raampjes open. Haar hart knijpt zich samen. Wat doet ze hier eigenlijk? Wat moet ze hier? Wat bezielde haar? Dacht ze soms dat ze hen had kunnen stoppen, maar daar was het nu toch veels te laat voor?
‘Hé,’ klinkt een stem achter haar. Geschrokken draait ze zich om en ziet een niet zo oude man staan die haar met ogen die glinsteren, aankijkt vanuit het donker van de avond. Ze voelt dat ze hem ergens van kent maar weet niet een, twee, drie waar die bekendheid vandaan komt. Hij maakt een beweging met zijn hoofd, ‘kom’. En als vanzelf, ja, alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat het meisje een vreemde volgt, loopt ze met hem mee, weg van hier, weg van de Groote Schuur. ‘Slegte plek, baie slegte plek ,’ zegt de man en gebaart daar waar de Groote Schuur moet zijn, ‘geen plek vir jou nie. Net as jy siek is.’ Hij praat rustig, vriendelijk.
‘Hoe wist u dat ik hier was?’ vraagt ze verbaasd omhoog kijkend en dan herkent haar gevoel hem. Al die keren dat ze naar school liep, half dromend onder de hoge bomen voelde ze dat iemand bij haar was, ze was niet alleen, al zag ze verder geen mensen in het park. Ze herkende de kleur van dat gevoel, net zoals de eerste keer dat ze dat bordje zag Slegs vir blankes en nog niet wist wat dat betekende. En zelfs toen ze er op school achter kwam wat het betekende, begreep ze het nog niet. Het strand is van iedereen. Toen ze daar stond, was er ook een soort aanwezigheid, dat weet ze nu pas heel goed. ‘U was ook op het strand van Muizenberg,’ roept ze uit. ‘En in Distrik Ses,’ knikt hij en glimlacht. In zijn gebroken Afrikaans vertelt hij haar over de routes die hij nu al sinds maanden gevolgd had in het spoor van haar gangen. Hij haalt zijn notities en tekeningen tevoorschijn, ze gaan erbij zitten langs de kant van de weg. Met zijn vinger laat hij zien waar hij allemaal geweest is. ‘Kaap die Goeie Hoop,’ ze slaat de handen voor haar gezicht. ‘Die hoogte van die berg. Jy was bang, maar die berg was onder jou voete,’ zegt hij. Ze knikt achter haar handen, ja, ze was bang. Maar nu is ze gek genoeg niet bang. Niet meer. Het meisje kijkt naar zijn tekeningen en schiet in de lach: ‘U kunt niet tekenen.’ ‘Ek kan ook nie lekker sing nie,’ grijnst hij. Het meisje lacht, oh, daar was hij dus ook, in de bossen van de Tafelberg met het glinsterende water. ‘Maar singen is wel lekker,’ zegt ze en hij knikt.
‘Waar komt u eigenlijk vandaan? Waar woont u familie? Waarom bent u niet daar maar hier?’, vraagt ze in een impuls. Hij kijkt naar het meisje dat met een stokje in de grond zit te rommelen, ze is nog zo jong en de woorden lijken even onvindbaar. Lukraak begint hij toch te vertellen over zijn vader en moeder, zijn broers en zusjes in Botswana. Dat hij de oudste is en dat ze arm zijn en vaak dorstig zo weinig regen als er valt. Hij vertelt haar over de woestijn, nee, dat is niet zoiets als de Karoo, helemaal niet. In de Karoo zijn er begroeiingen en daardoor voel je de verlatenheid nog erger, in de woestijn is er echt helemaal niets, maar het zand leeft in patronen die steeds veranderen en de lucht trilt in fantastische beelden die niet echt bestaan. En ’s nachts word je toegedekt door een deken van sterren. Daar wilde het meisje ook wel naartoe. Ze wil vragen of hij haar daar naartoe neemt, maar dat doet ze toch maar niet.
‘Die woestyn met sy sand, lug en sterre kyk vriendelik na jou asof om jou te beskerm, in die Karoo voel jy gekyk,’ zegt hij.
‘Echt?’
‘Werklike.’

Dat een woestijn naar je omkijkt, de bergen je dragen, dat je niet alleen bent, ook als je niemand ziet, die gedachten draaien in haar. Ze legt haar hand op zijn arm en wrijft zachtjes over zijn huid. Het voelt anders dan haar eigen huid. Ze kijkt naar haar hand op zijn huid. Zachtjes pakt hij haar hand op en legt die terug op haar been.
Het is stil nu, ze hebben veel gepraat, zo vertrouwd als ze waren in elkaars aanwezigheid, ze hebben gelachen omdat ze allebei niet kunnen zingen.
‘Kom,’ hij maakt een beweging met zijn hoofd, staat op en wacht op haar. Samen lopen ze weg de duister in, vaag hoort ze nog het onbegrijpelijke geroezemoes. Bij de gammele pickup van de chef-tuin houdt hij halt, opent de portier en wijst naar de voetruimte: ‘Ek gaan nou terug huis toe.’ Hij zegt het half tegen haar en half tegen de chef-tuin die slechts knikt.
De chef-tuin rijdt niet hard noch langzaam. Opgekruld in de voetruimte valt ze in slaap.

Woorden van

Karin Melis

Gepubliceerd op

Geplaatst in

Lees hierna

Dit zijn woorden van

Karin Melis

Filosoof

2 reacties

  1. Dick de Groot op 2 november 2023 om 21:32

    Wat een prachtig verhaal, Karin. Indringend is de beleving van het meisje, die je vanuit zoveel invalshoeken haar ervaringen laat delen met de lezer. Een rijk verhaal waarmee de lezer niet na een keer klaar is. Buitengewoon!

  2. Karin op 8 november 2023 om 21:12

    Mijn lieve vriendin Lieke Wolf, geeft ons dit prachtige lied: Stef Bos, Lied van Ruth (jou land is my land). Luister maar:
    https://youtu.be/CJUeZdOza8k?si=qEkvvs0m7P6Wuuem
    Karin

Laat een reactie achter