Licht

Het is 1946, de Bronx, die naargeestige New Yorkse buurt. De vrouw ligt in de goot, de dag is verregend. Ooit werd zij door het Italiaanse licht aanbeden. Een immigrante, die taal noch teken kan uitbrengen. Behalve een licht hummen.

De vrouw ligt in de goot. In de Bronx, die naargeestige, aan zijn lot overgelaten buurt van New York. Het is in de late herfst, aan het einde van een verregende dag. De vrouw, ze ligt erbij alsof ze slaapt. De rechterarm langs het hoofd met het zwarte, korte haar, lang genoeg om haar gezicht te verschuilen, uitgestrekt. De hand bevallig gebogen, de vingertoppen raken het wateroppervlak van de plas in de geul van de straat langs de stoeprand. Het rechterbeen is al evenzeer ver onder haar uitgestrekt, het linker is wat opgetrokken en de grijsgroene regenjas bolt daar waar de knie op het asfalt rust. Alleen de linkerarm verstoort het beeld van een slapende vrouw, die is onnatuurlijk gedraaid. De handpalm met een brede trouwring, die haar man moet voelen als hij haar hand vasthoudt, is open.

Al vele malen hebben haastige benen haar gepasseerd. Talrijke boodschappentassen zijn over het zwarte, sluike haar gegaan. Niet uit ongevoeligheid, maar uit de onoplettendheid van de dagelijkse gang van zaken werden de tassen naar elders gedragen. De vrouw gaf geen krimp en met het donker worden en aanfloepen van de gebogen lantaarn verdwenen de benen links en rechts en ver heen de huizen in. De stilte die achterblijft is een holte in stadsgeluid zoals onuitgesproken woorden een wijken ontsluiten.

Die ochtend lag de vrouw nog met de rug naar haar man toegekeerd op een matras op de vloer. Haar houding was bijna dezelfde als in de goot. Een been was opgetrokken, maar de linkerarm lag gekromd over haar borsten en de linkerhand hield haar rechterschouder vast. En in de plaats van een over haar toegebogen lantaarn was er die ochtend een zolderraampje dat naar buiten bolde. De bolling leek vooral bedoeld te zijn het licht te weren, maar dat is niet waar. Het licht kon er domweg niet komen, hoge muren en afvallige schoorstenen van belendende ellendige gebouwen beletten het. Het enige waartoe het licht daar in staat is, zijn schemeringen van lafhartige weerkaatsingen tegen het absorberende steen van muren, zoals alles in New York van grijs naar donkergrijs verloopt.
De scheiding van de nacht aangeduid op het reiswekkertje met de geknakte wijzer naast haar hoofd op de grond is een vergissing. De tijd verwijst nergens naar en al verspringen de wijzers keurig op tijd, in de voortdurende grijsheid kan zij net zo goed stil staan.
In Italië waar de vrouw geboren is, is het verbleekte gesteente uitgesleten. Het dorpje, in de verte niet meer dan een handvol stenen in de rotsachtige krochten van grillig gebergte, is een kluwen van geitenpaadjes met uitgesleten geulen. Zeker niet zoals in New York waar een gestrenge architectuur de wandelgangen van mensen dicteert. Daar, in Italië, sprong het licht voor haar ogen ongehinderd op, zich ijdel spiegelend in alles wat het tegenkwam. In zijn overvloed stroomde het met een zorgeloze verkwisting tussen de kieren van de luiken en vond haar glimlachende gezicht. Gelukzalig, dacht ze, sinds haar verplettering door het Miserere, de gezongen boeteviering in onverdraaglijk ijle stemmen die al je weerstand ten aanzien van eigen mogelijke zonden een voor een kleineerde en je achterliet als een verachtelijk hoopje mens. Zo gezien te worden door de Almachtige, vond ze naderhand een gotspe. Gelukzalig, ja, nu dat Miserere zelf verpletterd is in die ene strofe I will find you in the morning sun van ene Frank Sinatra. Zo gevonden te worden. Ze glimlachte.

De oorlog baadde in het zonlicht, maar niet waar zij woonde. In haar dorp vertoonde de oorlog zich hoogstens in gebogen hoofden en gemompel op het plein, niet meer dan een uitsparing waar drie straten op uitliepen. De zon rende zorgeloos in de holte van de tijd, voor haar was dat nu net zo onbegrijpelijk als die kleverige brei van dagen en nachten in de Bronx waar de toekomst zich met het licht in de hoek van de kamer heeft gezogen. De egaal bruine ogen van de vrouw die het licht van huis uit kennen, zijn op die donkere hoek gericht. Net zoals de dag kan het licht zich niet zo ver uitstrekken dat het binnen haar gezichtsveld komt. De dag laat zich van haar meest boosaardige kant zien; elk uur moet verteerd worden.
De wekker ging af en de man naast haar stond op. Zwart, klein, gedrongen en behaard, kortom, alle uiterlijke kenmerken van de stereotype Italiaan. De man, hij heet Carlo, leeft alsof het leven een afvoer voor zijn energie is. Een slordige zes maanden zijn ze nu hier en hij werkt aan een toekomst die hij weliswaar niet ziet, maar die zijn energie veronderstelt. Zijn grote handen bouwen het leven zoals hij een vrouw vasthoudt. De onverwachte hardheid van een uitstulpend heupbeen leidt de bewegingen van zijn vingers niet, noch veroorzaakt ze zich verwonderende handpalmen. Elke vrouw, zijn vrouw, is de vrouw. Elk leven, zijn leven, is het leven en dat hij gisteren als sjouwer ontslagen is, hij weet niet waarom, wat hem betreft zijn de wegen van de Amerikanen ondoorgrondelijk, maakt op Carlo, zoals hij daar op kousenvoeten naast het matras op de grond staat, geen enkele indruk. Vandaag vindt hij wel wat anders, alles dat op zijn weg komt grijpt hij aan. Niet gestuurd door enige motivatie, maar omdat hij niet beter weet. Zijn vrouw werkt in een confectiefabriek. Wat ze daar nu precies doet, weet Carlo niet. Hij pakt de spijkerbroek van de grond en trekt hem aan, zijn blik wordt niet getrokken naar zijn vrouw, naar het zwarte, sluike haar, naar de nog roerloze gestalte onder de grijsgroene regenjas die boven op de deken met een enkele witte streep ligt. Carlo heeft de deken, die voor de bedekking van verhuiskisten wordt gebruikt, op zijn werk gevonden.
Hij loopt naar het fonteintje, de enige bron van water in de kamer, om zich te scheren. De spiegel is overdekt met roestvlekken en verfspatten, maar zijn handen kennen blindelings hun weg over het vierkante gezicht. De afstand tussen de kaken is net zo groot als tussen zijn slapen. De mond en neus onthullen de symmetrie door haar te verstoren. Zijn neus is namelijk vlezig breed met wijde neusgaten waaruit zwarte haartjes tevoorschijn komen. Van tijd tot tijd trekt hij er een paar uit, onveranderd opgevolgd door een verlossende niesbui. De mond hoort bij de neus; zij is ongeïnteresseerd vol en verbergt een trits van kleine tandjes.
Als Carlo na het scheren met zijn hand tegen de baardgroei ingaat, schiet er een beeld door hem heen. Hij ziet de ijzeren luiken die de ingang van de loods, waar hij tot gisteren werkte, markeren. Zijn collega’s staan te wachten, maar hij ziet zichzelf niet. Een stuwing van energie verruimt zijn borstkas, een wee gevoel in zijn onderbuik achterlatend. Het dunne witte T-shirt frommelt hij in zijn broek en de onbeduidende trui trekt hij met een ruk over het zwarte, harde haar dat hij naderhand met twee handgebaren in orde brengt. Er is geen eten maar dat kan dit lichaam aan. Nochtans heeft het genoeg aan zichzelf. Inmiddels is ook de vrouw opgestaan. Haar vale onderjurk is met kant gezoomd.
Het is kwart over zeven en er gebeurt niets. Er is niets dat zich moeite getroost een werveling van gevolgen te ontketenen die zelfs de stomme schemer versteld zou doen staan.
Carlo pakt zijn zwart rood geblokte jack van de grond en het is dat hij zich weer opricht anders was het naar zijn hoofd gestegen. Dat hoofd van prairies, uitgestrekte vlakten en de sensatie van bewegende spieren in de ledematen die met de blinde ogen van de wil op de horizon afstappen.
“Ik ga,” zegt hij. Zijn vrouw staat achter het fonteintje voor de spiegel. Ze droogt haar gezicht af, de egaal bruine ogen verschijnen boven de handdoek en zoals alle ochtenden knikt ze. Druppels water glijden langs haar hals in de kom die de sleutelbeenderen vormen. De rechte hoek van hals en schouder is van een onverwachte schoonheid, maar er is niets dat haar bestrijkt en nog voordat ze de ruimte perspectief kan geven, verdwijnt ze in de vergetelheid. Het begint te hummen in haar, vlak onder haar middenrif, de plek waar de Miserere zijn nederlaag heeft geleden en plaats heeft gemaakt voor And I’ll be seeing you in every lovely summer’s day, het hakkelt hummend verder, I’ll find you in the morning sun, and when the night is new, I’ll be looking at the moon, but I’ll be seeing you. Het lied tilt haar op als een zoenoffer aan de warme Italiaanse ochtendzon, ziehier, het kind van het licht dat nu in de stad van de schaduw is beland. Al is de spiegel bevlekt met roestvlekken en verfspatten, ze kijkt haar man in het zwart rood geblokte jack van de prairie, het jack van de Amerikaanse droom, recht aan. Een toevalstreffer, want alle andere dagen keek ze in een leegte, haar man had de deur al achter zich dicht getrokken. Zijn hand ligt op de klink en de ruimte wijkt in afwachting van een mogelijke ontlading in gebaren en woorden. De stilte vlak voor de allereerste omhelzing, alsof je het hellende plein van Siena betrad dat even tevoren vlak leek. De precieze toedracht van de omhelzing is niet te achterhalen en doet zich uitsluitend als een hiaat in de herinnering voor. Er was niets in die kamer in de Bronx dat het vergeten waard was.
“Ik ga,” zegt Carlo nog eens en de vrouw, die de handdoek nu boven haar borsten tegen de druppels in haar hals gedrukt houdt, knikt van binnen hummend opnieuw. Hij trekt de deur achter zich dicht.
Zij pakt de lippenstift naast de scheerkwast. De laatste restjes rood zijn langs de kanten uitgesmeerd. Met een draaiende pink peutert ze een beetje rood dat ze keurig over de lippen smeert. Zelfs het onzichtbare puntje aan haar onderlip, recht onder de cupidoboog, dat een minuscule uitstulping van de huid is en dat ze met de bedachtzame onderkant van haar tong kan voelen, maakt ze rood. De mond zuigt het licht naar zich toe, waar ze ook is.

In de wegtrekkende tunnel van de ondergrondse trein spelen verstarde ogen een mikado-spel van weerkaatsingen in bekraste raampjes. Er wordt niet gelezen, er wordt niet gesproken. De trein kan ongehinderd razen en tieren. De wagens schommelen maar niemand grijpt naar houvast. Als onbegrijpelijke ogen die uit de droom worden geholpen, gaan de lichten aan en uit, maar er is niemand die knippert. Niemand koestert enige illusie over de gedachten van de ander, laat staan over diens verschijning. Men kijkt elkaar niet aan en na verloop van tijd, als je lang genoeg in de wereldstad bent, weet je niet beter dan dat je ‘men’ bent geworden. Uit angst heeft de onverschilligheid om zich heen gegrepen. Alleen gekken, bedelaars, daklozen en kinderen negeren de geboden ‘aankijken mag niet’ en ‘aanraken al helemaal niet’.
Een jongetje, niet veel groter dan de pilaren onderbenen van de zittende passagiers, grijpt willekeurige knieën vast om in de schokkende buik van de trein zijn evenwicht te behouden. Zijn spijkerbroek hangt rond een schijn van heupen, zijn haar staat alle kanten uit en zijn handjes graaien en vinden op goed geluk de veilige hardheid onder de grijsgroene regenjas.
Met weergaloze zekerheid omklemmen de vingers de redding, de rustende handen in haar schoot zijn binnen bereik. Op de maat van de trein meedeinend staart hij naar de brede trouwring, maar nog voordat hij aanstalten kan maken die aan te raken, haalt zij hummend een voor een zijn klevende vingers los en legt die rond een van de ijzeren pilaren.

Buiten gekomen loopt ze met de motoriek van iemand die dag in dag uit dezelfde weg aflegt en niet meer op of om hoeft te zien. De confectiefabriek ligt aan het einde van een nauwe, doodlopende steeg met aan weerszijden hoge muren. Voor de ingang staat een groep vrouwen met hoofddoekjes om te praten. Hun gelach en verontwaardiging golven de vrouw tegemoet. De stemmen ketsen als een boemerang weer terug en verdwijnen in het ratelende geluid van de ijzeren deur die opgetrokken wordt. De knikkende hoofddoeken verdwijnen.
Het garen zal door de handen glijden en in de huid snijden en na verloop van tijd beginnen de ogen te branden, de fixerende blik kan niets anders meer onderscheiden. Het tollende garen, aangemaand door automatisch trappende voeten op het pedaal, rijgt zich aaneen in een lang uitgerekt beeld.
Het werk begint, de voet drukt het pedaal in, de rechterhand neemt het garen op en vanaf dat moment is het proces onomkeerbaar. Als je je voet een keer oplicht om haar onder de werkbank in genot te strekken en te keren, dan wordt die bewegingsvrijheid onmiddellijk met represailles afgestraft: het garen bevrijdt zich uit de beslotenheid van de hand. 0lijk lussen vormend danst het voor de opengesperde blik die zijn fixatie verloren heeft. Maar wat erger is, de voet gaat trillen en verzet zich tegen een terugkeer naar de trappende beweging op het pedaal.
Naarmate de tijd verstrijkt zakken de hoofddoekjes af en hangen als sjaals om de schouders. Het zuchten van de vrouwen vergaat in het gezoem van de naaimachines.
Gisteren was snerpend snel als een pijl de laatste bel gegaan, het geratel van de machines in zijn kielzog meenemend naar morgen. In het geluidloze gat kwam het gekwebbel waar nooit iemand naar luistert op en aan het einde van de steeg, waar de vrouwen ieder huns weegs gingen, veranderden de stemmen in zichzelf gekeerd gemompel. De vrouwen waren naar huis gegaan, maar zij zat nog achter de werkbank en het garen suisde nog steeds onafgebroken in de gekromde handpalm en de voeten trapten op het pedaal. Met haar linkerhand verschoof ze de stof. Het geratel van de enkele naaimachine steeg nu niet op, maar hing weifelend rond de vrouw. Zij trapte sneller en sneller, haar linkerhand kon het nauwelijks bijhouden en overladen door zenuwachtige steken op dezelfde plaats kromp de stof ineen. Slechts met moeite kon de naald in de opeenhoping van knopen prikken en toen het zich er eenmaal door heen gewurmd had, kon zij het niet meer omhoog krijgen.
“Het zit erop. U kunt wel gaan.” De man stond bij de knop die de ijzeren deur naar beneden liet gaan. Gehoorzaam stond ze op en pakte haar jas en de volgende morgen staat ze aan het einde van de steeg te kijken naar de verdwijnende hoofddoekjes. Met geen mogelijkheid zal ze de naald kunnen bevrijden, tenzij ze de stof scheurt.

Ze gaat op een bankje in het park zitten. Haar benen zijn te kort, de voeten kunnen de grond niet raken, ze hangen er maar een beetje bij. De kinderen die in de zandbak voor haar spelen, nemen geen notie van de vrouw. Zij zijn verloren in hun spel. Met een vinger prikt het meisje gaten in een rond bouwwerk van zand: “Dat zijn de ogen van het huis zodat het kan kijken.”
Door zijn dikke brillenglazen observeert het jongetje tegenover haar: “Maar je kunt niet in het huis. Er is geen deur of zo.”
Het meisje schudt haar hoofd terwijl ze met twee handen het zand gladstrijkt: “Het huis moet nog groeien.”
“Dat kun je wel vergeten,” zegt een stem boven hen. Met een paar bewegingen maakt hij een nieuw huis en graaft twee, elkaar in het midden kruisende tunnels. Het is veel groter en het heeft zelfs een schoorsteen.
“Zo,” zegt de man het zand van zich afslaand, “dit is een ander huis en vergeet niet dat het niet kan kijken. Het zijn mensen die door de ramen kijken, niet de huizen zelf.”
Begrijpen doen ze hem niet en trouwens, ze zijn niet echt blij, want wat valt er nog te doen als het zand al gebouwd is. Zodra de vreemde man uit de zandbak stapt, stampen ze het nieuwe huis eensgezind in elkaar.
Het kan hem niet werkelijk schelen en als hij naast de vrouw op het bankje gaat zitten is het al uit zijn gedachten verbannen. Hij steekt een sigaret op en kijkt naar de slierten mist die door het park zweven. Soms kun je de spelende kinderen niet eens zien. Een koude wasem trekt langs zijn gezicht, kleine druppeltjes strijken langs zijn oogharen en voor een moment ziet hij helemaal niets. Hij kijkt opzij: “Er is niet veel nodig om de wereld te laten verdwijnen, is het wel? Ook een sigaret?”
Hij slaat er een uit het pakje die ze zonder iets te zeggen aanneemt. Hij geeft haar een vuurtje, daar was het hem om te doen, hij wilde de ogen van de vrouw zien. Ze leek zo onnatuurlijk stil naast hem dat hij dacht dat ze iets mankeerde. Het helpt niets, hij kan haar blik niet vangen.
Het mondstuk van de sigaret wordt gaandeweg roder en voordat de gloeiende as de lippen bereikt, strekt de vrouw, naar zijn idee nogal onnatuurlijk, haar arm uit zodat de peuk boven de grond is. Ze spreidt de vingers en de afgebrande sigaret valt. Met de punt van zijn schoen drukt hij de peuk uit. Het vloei rafelt open, ze kijken er allebei naar.
“Ik kan wel een borrel gebruiken. Wat denkt u, houdt u me nog even gezelschap?”
Geen flauw idee waarom hij haar uitnodigt. Van haar hoef je niets te verwachten. ‘Juist daarom,’ denkt hij en pakt de vrouw bij de elleboog om haar van de bank af te helpen. Ofschoon ze hem geen antwoord heeft gegeven, voelt hij dat ze niet onwillig is.
Het is vroeg in de morgen, ze drinken scotch. Aan de bar zit een stel onverlaten, als een van hen een opmerking maakt, knikken de anderen zonder hun blik van het glas af te wenden. De man en de vrouw zitten aan een tafeltje achter de rij ruggen. Zij heeft haar arm om haar middel gelegd ter ondersteuning van haar andere arm en rookt een nieuwe sigaret die hij haar heeft aangeboden. Hij kijkt naar de rode mond die de huid verbleekt, naar het zwarte haar dat in de ogen hangt. Hij heeft het goed gezien, die ogen hebben hem en de wereld niets te vertellen. Ze stellen zich bloot, hij kan het niets ander zien, alsof alles zich aan de oppervlakte heeft gewrongen. Zo, open en bloot, is het niets. ‘Een opgelost raadsel, is nog steeds een raadsel,’ denkt hij, neemt een slok van zijn whisky en laat de drank in zijn mond, onder de tong en langs het gehemelte branden. De rook van zijn sigaret blust de sterke smaak. Langs de vrouw heen kijkend begint hij onaangekondigd te vertellen: “Ik heb het groots aan willen pakken en ik heb het groots aangepakt. Nooit van die kleine pieterpeuterige doeken, altijd op z’n minst twee bij een. Eigenlijk ging het me slechts om een enkel schilderij dat ik wilde maken, maar soms doe je daar je hele leven over.
“Nee,” maar de vrouw heeft hem niets gevraagd, “je kunt niet zeggen dat ik een visioen had dat ik wilde nabootsen. Misschien was het dan allemaal wat gemakkelijker geweest. Het ging me om het licht, het gaat natuurlijk altijd om het licht. Het gaat om de wereld die het licht ontsluit en, hoe moet ik het zeggen, die wereld zie je niet zomaar als je buiten loopt. En toch is ze er. Ik heb het niet over gene zijde of over iets verhevens. Als ik buiten loop zie ik het, zelfs hier in het verdomde New York, de stad die schaduw gedoogd als de toeristen die haar koloniseren. Ik heb het van jongs af aan gezien. Maar het werkelijke licht kun je slechts via een omweg benaderen.”
De man valt even stil. Wat nou? Zit ze een beetje te hummen? Glimlacht ze daar een beetje voor zich uit neuriënd? Of beeldt hij het zich in?
Koppig vervolgt hij: “Een volmaakte nabootsing is gedoemd te mislukken, want die verplettert het licht nu juist. Dus dacht ik dat de bomen rood en de hemel groen moesten zijn, maar dat bleek een te simplistische opvatting, ik maakte de zaak alleen maar grotesk. Tot mijn stomme verbazing heb ik dat doek nog goed kunnen verkopen.
Talrijke doeken heb ik gemaakt en uiteindelijk bleef er van het water, de bomen en de luchten niet veel over. Het werden schimmen van zichzelf, een ingelijste vergeten herinnering. En precies bij dat doek, toen het water, de bomen en de luchten begonnen te schaduwen, had ik het gevoel op het goede spoor te zitten. Ik kon niet meer stoppen. Ik durfde ook niet meer te stoppen. Ik was bang dat ik het zou verliezen. Het,” hij proefde het woord op zijn tong, “wat bedoel ik met ‘het’? Oh god, nou laat maar, het doet er niet toe. In elk geval, alleen ’s nachts kwam ik er nog uit en dan ging ik hiernaartoe. Vreemd toch, dat als je zo met het licht bezig bent, alleen nog de nacht opzoekt. En toch, deze bar, de schemer, steeds dezelfde mompelende figuren waarvan je nooit weet tegen wie ze het hebben het leek gepast en vertrouwd, het was precies de juiste afstand die ik nodig had.
Ik voelde hoe het schilderij zijn voltooiing, ik bedoel de voltooiing waarop ik wachtte, naderde. Maar eerlijk gezegd dacht ik dat bij elk nieuw doek dat ik opzette, bij elke keer dat ik in de tube kneep, de verf opsnoof en elke keer dat ik met mijn hand over het rimpelige oppervlak van het canvas streek.
Maar deze werd echt groots. Het werd heel donker, maar tegelijkertijd brandde het licht er heel concreet door heen. Het schilderij zoog als het ware het licht naar zich toe waardoor het licht nu juist onthuld werd. De muur waaraan het zou gaan hangen moest groot en wit zijn en het zou geen enkel ander werk kunnen dulden. Ik kon wel van dankbaarheid op mijn knieën zakken. Om het te vieren ben ik ’s nachts weer hiernaar toegegaan. Ik zat aan ditzelfde tafeltje. Aan de toekomst dacht ik geen moment. Ik weet dat als je het gevoel hebt dat als je het gedaan hebt, de toekomst zich voor je ogen sluit. Maar niet bij mij, ik barstte uit mijn voegen. Niet uit blijdschap, maar uit opwinding. Het was alsof ik uit mijn eigen huid zou knappen, alsof ik op het punt stond opnieuw te verschijnen, alsof ik mijn eigen schilderij was geworden. Dronken ben ik die nacht vreemd genoeg niet geworden terwijl ik hier toch de hele nacht whisky heb zitten drinken. Ik wachtte op het eerste daglicht dat door de ramen hoog in mijn studio schuin langs het schilderij zou glijden. Ik kon het voor me zien en ik kon er niets aan doen maar naarmate de tijd verstreek werd ik liederlijk over het beeld dat ik zou gaan zien. Mijn benen konden mijn lichaam nauwelijks meer dragen en ik was bang dat ik over zou geven. En nu, achteraf, denk ik, wat had ik die nacht nou voor ogen? Ik kan me dat niet eens herinneren, terwijl de sensatie heel sterk was.
Nooit vergeet ik het moment meer dat ik de deur van mijn studio opende. Het doek, mijn doek, welja, mijn leven stond daar op de ezel op mij en op de wereld die ze zou gaan opslokken te wachten. Ik weet waarachtig niet waardoor het gekomen is, misschien was de verf bedorven, merkwaardigerwijs is de verf na de oorlog kwalitatief slechter dan toen ze elkaar nog overhoopschoten. Sommige dingen begrijp ik gewoon niet. Maar goed, het doek was gitzwart. Het was niets. Elke kleur was eruit weggetrokken. Het leek warempel wel een schoolbord. Het was een grote zwarte vlakte en het licht was weg. Ik dacht dat ik gek werd en ik liep naar buiten. Ik had rode vlekken voor mijn ogen. Buiten was alles opeens licht, zonder enige schaduw, en binnen stond er een zwarte vlek. Naderhand heb ik gecheckt of een gek er misschien overheen geschilderd had. Ja, het klinkt idioot, want wie zou die moeite nemen? Het was gewoon uit zichzelf zwart geworden. Zo zwart als de nacht. Het is het laatste doek dat ik gemaakt heb.”
“Nee,” maar de vrouw heeft weer niets gevraagd, volgens hem is ze opgehouden met dat fluisterend zanggeluid, “mijn leven stortte niet in. Diezelfde middag heb ik nog op een baantje als administrateur bij een grote bank gesolliciteerd. Ik kon de volgende dag meteen aan de slag. Het heeft met cijfers te maken en ik doe het nu alweer een half jaar. Er is niets zo grijs en stompzinnig als cijfers. Ik liet de radartjes in mijn hoofd werken, elk mens kan ten slotte logisch denken. Dat wil zeggen, tot vanochtend. Vanochtend ging ik zitten en haalde mijn werk tevoorschijn en alles verliep zoals gewoonlijk. Totdat ik met de verwerking van een nieuwe transactie begon. Ik vouwde het vel open en spreidde het met vlakke handen uit zodat het vlak voor me op het bureau lag en het licht er niet in spiegelde, daar heb ik zo’n hekel aan, je ziet niets meer. Het licht moet er schuin op vallen. Het volgende moment ben ik opgestaan, heb mijn jas gepakt en heb ik het gebouw verlaten, want wat ik zag toen ik over het gladde vel streek, was een grijze, dikke, nietszeggende massa. Ik heb goed gekeken, ik ben niet gek, ik mankeer niets, maar het was zo verstikkend grijs dat ik geen lucht meer kon krijgen. Zwart heeft nog iets met licht, maar grijs heeft niets met licht. Ik denk dat ik die baan verder wel kan vergeten.”
Opeens is hij er niet meer zo zeker van dat ze luistert. Niets maakt indruk op haar en al wist hij dat toen hij haar in het park zag, hij is er nu toch wat ongemakkelijk onder. In een flits had het hem bevrijdend toegeschenen om tegen haar te praten, juist omdat ze onbewogen was. Niet dat ze ongevoelig was, ze was er gewoon, al heeft hij haar wel horen hummen. De wereld trekt als een karavaan aan haar voorbij en als een hand naar haar wordt uitgestoken dan pakt ze die aan zonder ook maar iets prijs te geven, laat staan dat er sprake van weerstand is.
Opnieuw kijkt hij naar de ogen van de vrouw. Ze zijn aan de kleine kant en misschien is dat de reden dat de rondingen van de irissen onder de leden schuilgaan. Wat zou er gebeuren als ze haar ogen zou sperren zodat de irissen door het oogwit omringd worden? Het wit moet het egale bruin verdiepen. Het volstrekte bruin dat niets, zelfs de schaduw van de wimpers niet, reflecteert, zit hem nog het meeste dwars. Wat als een glimlach haar ogen zou raken als het licht dat hij zelf nooit heeft kunnen vangen?
Zonder hij er erg in heeft wringen zijn handen. Met zijn vingertoppen kneedt hij hardvochtig de spieren en de kleine beentjes. Hij rekt zijn rechthoekige vingers alsof hij ze uit hun kooitjes wil losmaken om hun eindelijk het leven te laten leiden dat ze begeren.

Elf jaar later denkt de man aan de vrouw terug. Hij zit op hetzelfde bankje in het park. Het licht is grijs, hij is vermoeid en rookt een sigaret. Voor zijn voeten speelt een kind. Met een takje tekent het nauwkeurig een boom in de aarde. De wortels en takken zijn even lang en even wijd vertakt en vormen elkaars spiegelbeeld.
“Je denkt toch niet dat alles wat je niet ziet hetzelfde is als dat wat je wel ziet, is het wel?” plaagt hij het kind, maar het keurt hem met geen blik waardig.
Het is de wijze waarop een vrouw voor hem langsloopt dat de herinnering aan haar terug brengt. Ze houdt haar hoofd een beetje achterover en normaal gesproken zou hij dat een fiere houding vinden, te lopen zonder te kijken waar. Maar niet nu, althans niet bij deze vrouw. Geconcentreerd kijkt hij haar na totdat ze uit zijn gezichtsveld verdwijnt. Hij vreest dat ze haar evenwicht verliest en vlak met haar achterhoofd tegen de grond slaat. Of juist, om in een reflex tegenwicht te geven, voorover en dat is natuurlijk gebeurd: de vrouw is voorovergevallen.

En zo hebben ze de vrouw gevonden. Ze vertoonde geen uitputtingsverschijnselen, evenmin had ze het bewustzijn verloren. Misschien was de hartslag iets trager dan normaal, maar niet verontrustend langzaam. Het alcoholgehalte in haar bloed is te laag voor vergiftiging of delirium. De paniekerige handen die een leven wilden redden beginnen te aarzelen. Het zuurstofmasker, haastig toegediend toen de vrouw nog in de goot lag en later in de gillende ambulance stevig tegen de mond aan gedrukt, wordt zonder gevolgen verwijderd. De vrouw kan heel goed zelf ademhalen. De vrouw! Geef haar een identiteit en de handen, nu ontdaan van de vliesdunne handschoenen, gaan in de zakken van de grijsgroene jas en wanneer deze leeg blijken, richten groen gemaskerde monden zich tot de ogen van de vrouw. ‘Wie bent u?’. Een paspoort, een identiteitsbewijs is van levensbelang. De vrouw moet spreken en zeggen wie zij is, daar hangt alles vanaf. Ze moet geregistreerd worden. Ze moet bestaan.
De mondstukjes worden met een ruk verwijderd om beter tot de vrouw door te dringen. Haar onderjurk hebben de dokters gescheurd zodat ze onmiddellijk met het onderzoek konden beginnen. Een gedachteloze hand slaat een stukje van de dunne stof over haar buik. Nu ze niet ziek blijkt te zijn, stelt haar naaktheid zich met een schaamteloze promptheid aan het felle licht bloot. Iemand wijst naar de ringvinger en met een paar snelle bewegingen ligt de trouwring in de handpalm van de dokter. Een referentie, de nadering van een identiteit die een wereld opent, die familieleden met gespannen gezichten door de zalen doet wurmen en die de vrouw ten slotte verwijderen. Maar met ‘Carlo – 2 mei 1943′ is niets te beginnen, behalve dat de vrouw met zo’n Italiaanse naam in het echt getreden meer dan waarschijnlijk van dezelfde afkomst is en dat hadden ze eigenlijk van meet af aan al geweten: de vrouw met de donkere haren en haar bleke huid die het zwarte pigment niet kan verloochenen, is een immigrante! Met de ring kloppend in de holte van zijn hand keert het gezicht van de dokter zich weer naar haar, maar hij ontmoet niet de weerstand van een hardnekkige weigering die hij verwachtte. Haar ogen zijn gesloten, haar borst gaat regelmatig op en neer en hij voelt zich machteloos. Totdat de mogelijkheid van vastgelegde, zakelijke procedures bij hem opkomt. “We moeten de politie waarschuwen,” zegt hij tegen zijn collega’s. “Ze is in de Bronx gevonden, dus daar zullen ze er wel meer van weten. En roep Robert, dit lijkt me een typisch geval voor hem. Wat wij niet kunnen, kan een psychiater wel. Misschien heeft ze een shock gehad of misschien is ze geestelijk gestoord en kan ze domweg niet praten. Je weet het maar nooit bij die lui. En doe dat mens iets aan.”
Ze krijgt een rubberbandje met een nummer om de pols. De trouwring is onbedoeld in de zak van de doktersjas terecht gekomen.

De vrouw zit met gekruiste enkels. Haar armen liggen op de stoelleuningen, haar hoofd is lichtelijk gebogen. Ze hebben haar een lichtblauwe rechttoe rechtaan jurk aangetrokken, een ziekenhuisjurk. Robert is niet ontevreden over deze houding. De vrouw gaat zo dadelijk spreken en hem vertellen hoe ze in de plas is gevallen en hoe ze de angst van totale verlatenheid geproefd heeft, hoe iedereen haar moet hebben zien liggen en geen vinger heeft uitgestoken. Niemand die zich iets van haar had aangetrokken, de ontsteltenis dat de bodem van het bestaan het leven zo ondiep kan maken.
Nee, dat zegt ze niet, hij zou een dergelijke gekunstelde uitspraak trouwens ook wantrouwen. Maar het verhaal gaat komen en hij verheugt zich op haar woorden die haar tot tranen zullen bewegen, de hulpeloosheid van een oogopslag. Als hij niet weggeroepen wordt dan ligt er een hele nacht voor hen uitgestrekt. Robert biedt de vrouw een sigaret aan en ze buigt naar het vuurtje. Het zwijgen verdiept zich tot stilte. Hij is natuurlijk wel het een en ander gewend, maar wanneer hij zijn sigaret uitgemaakt heeft, trekt hij zijn uitgestrekte benen in en slaat ze over elkaar. Met trommelende vingers kijkt hij naar de klok achter haar, tien uur, nog acht uur te gaan, hij zou wel een borrel lusten. “En?” vraagt hij, maar hij verwacht er niet veel meer van en om elf uur weet hij zeker dat de vrouw niet zal spreken. Met beide handen slaat hij op de stoelleuningen: “Ik geloof niet dat u van plan bent uw mond open te doen. Het is mij om het even, maar weet wel dat u zichzelf geen dienst bewijst door te zwijgen. U moet het allemaal zelf weten. In elk geval ga ik nu wat aan mijn bureau zitten werken en u blijft hier gewoon zitten, net zolang totdat mijn dienst er op zit. Misschien dat u zich nog bedenkt.”
Zo nu en dan kijkt hij van zijn werk op. Het verrast hem dat hij niet meer geïrriteerd is en gaat bij zichzelf te rade wat voor reactie ze dan wel bij hem oproept, maar hij bespeurt geen enkele schommeling in zijn gemoedstoestand. Ze doet hem niets en hij blijft even verwonderd bij die gedachte stilstaan. Ze had er net zo goed niet kunnen zijn. Dat verontrust hem toch, hij heeft bedenkelijk snel afstand van zijn verwachtingen gedaan.
“Nog een sigaret?” Hij gaat naar haar toe en houdt het pakje opnieuw voor. Als hij het vuurtje onder haar sigaret houdt, kruisen hun blikken. “Als je niets meer verwacht zonder in cynisme te vervallen, wat voel je dan nog? Niets? Dan heeft alles zijn betekenis verloren. Ik beteken niets voor u.” En, vervolgt Robert meewarig glimlachend: “U heeft zich niet eens voorgesteld.”
Voorlopig noemen ze de vrouw ‘Carla’. Frans, de dokter die haar aan de psychiater heeft toevertrouwd, vindt dat zelf een geslaagde vondst. Ook heeft hij haar, in afwachting van de bevindingen van de politie, een ziekenhuisbed gegeven. Carla ligt nu ter observatie.
Tijdens de ochtendvergadering besluit hij haar geval serieus te nemen: “Het kan best zijn dat ze een hersenbeschadiging heeft. Dat moeten we maar eens onderzoeken. Het schijnt trouwens bij niemand op te komen dat ze misschien geen Engels spreekt. Ook Robert heb ik daar vanmorgen vroeg niet over gehoord. Hij was al net zo weinig mededeelzaam als die vrouw.” Als geen van zijn collega’s lachen, zegt hij: “Ze draait gewoon in de ronde mee. Aan het einde van de dag weten we ongetwijfeld meer en kunnen we haar ontslaan.”
Maar om vijf uur kan de politie helemaal niets vertellen. Ze hebben de buurt waar ze gevonden was uitgeplozen, maar niemand scheen haar op de foto, die in het ziekenhuis genomen was, te herkennen. Evenmin was er een vermissing op het politiebureau gemeld.
“Als we binnen achtenveertig uur nog geen stap verder zijn, moeten we haar maar naar het centrum voor thuislozen brengen.”
“Nee,” zegt Robert in zijn spreekkamer tegen het kauwende gezicht van een agent, “we zijn bezig met een hersenonderzoek en trouwens het staat nog helemaal niet vast of ze geestelijk gezond is. Het is niet gezegd dat ze geen gevaar voor de samenleving vormt. Als dat wel het geval is, zullen we toch andere maatregelen moeten treffen.”
Hij houdt de deur voor de agent open en probeert diens schouderophalen te negeren. Even vangt hij de aanblik van de dikke draaiende billen, die de glanzende stof van zijn zwarte broek spannen, op. De hand van de agent zwaait losjes langs de knuppel aan zijn heup.
Om tien uur ’s avonds laat Robert haar halen. Maar als ze weer tegenover hem zit, weet hij niet hoe tot haar door te dringen. Vlak voordat zijn dienst begon heeft hij een blik in haar zaal geworpen.
De dikke vrouw naast haar kletste aan een stuk door, verheugd gebruik makend van de zwijgzaamheid die ze kennelijk voor bedachtzaam luisteren hield. De vrouw lag op haar zij naar haar dikke buurvrouw aan het raam toegewend, hij bezag haar op de rug. Het begon al donker te worden. Het laatste daglicht gleed als een grijze massa de zaal binnen, voor het kale ziekenhuislicht maakte dat niets uit. Hij zag haar linkerhand die de rechterschouder omklemde. Die hang naar geborgenheid in zichzelf zou weleens het begin van een verhaal kunnen zijn, overwoog hij, zoals tenslotte alle patiënten verhalen voor hem zijn. De losse eindjes, de onbegrijpelijke uitingen, beschouwt hij als literatuur. Zij zijn de vormgeefsters van het verhaal. De werkelijkheid is de achterkant van een borduurwerkje en de schone schijn die je aan de voorkant ziet, dat wat men wil voorwenden, moet gaandeweg geschrapt worden. Dan kan het verhaal beginnen, maar daar in de deuropening, realiseerde hij zich dat de omhelzing van de vrouw geen enkel gesprek toestond. De dikke vrouw voelde Roberts blik en onderbrak haar gekwebbel. Geërgerd over zijn tegenstrijdigheid en de dikke vrouw liep hij weg.
Net zoals de vrouw liggen zijn armen op de leuningen van de stoel, gedachteloos volgen zijn ogen het verspringen van de secondewijzer. Hij probeert geen aandacht te schenken aan de chaos van het lawaai van ongeduldige stemmen, rennende voeten, ratelende brancards die van ellende uit elkaar lijken te vallen. Hij werpt een blik op haar, maar ze geeft geen sjoege en die situatie blijft onveranderd.
Elke avond zitten de vrouw en Robert in dezelfde houding tegenover elkaar en precies na vijftig minuten slaat hij met beide handen op de leuningen en vraagt vriendelijk: “Zullen we het hier maar bij laten?” Hij is als een werkloze die ’s ochtends een pak aantrekt, zijn lunchpakket in een attachékoffertje doet en in het park gaat zitten.
Op de vijfde avond ligt er een uitgeknipt artikel uit The New York Times ‘Vrouw in de goot gevonden – Identiteit onbekend’ op de lage tafel tussen de twee stoelen. Misschien, zo heeft Robert de jonge, kauwende agent voorgelegd, levert een oproep in de krant iets op. De politieman gaf er niet veel voor. “Baat het niet dan schaadt het niet,” zei hij.
De foto bij het artikel toont een onopvallende vrouw. Hij vergelijkt het met het gezicht tegenover hem en vraagt zich af of hij haar zou herkennen. Haar man toch zeker wel, deze Carlo die taal noch teken geeft. Weer voelt hij de woede die hem gisteren beving opkomen.
Met het laatste beeld van een droom voor ogen was hij ’s middags om twee uur wakker geworden. Een huizenhoge golf kwam als een reusachtige vlinderslag op hem af, waarop onmiddellijk de sensatie van verstikking in de kolkende zee bezit van hem nam. Zover kwam het niet. Hij lag stil op zijn rug met het geraas van de golf in zijn oren. Buiten gilden sirenes, een kraan even verderop sloeg onophoudelijk dreunend een paal de grond in, vrachtwagens kwamen huilend tot stilstand en trokken na driftig getoeterd te hebben grommend op. Hij liet het allemaal tot zich doordringen, een oefening in gelatenheid, maar er was geen houden aan, hij kon de machteloosheid niet buiten de deur houden. Het moest toch een keer stil worden. Was er dan helemaal geen plek in New York waar je gedachten in alle rust konden opkomen zonder door die razernij te worden weg gestompt? Hij raakte in paniek, de onmogelijkheid te vluchten, overal was er herrie. Hij wilde in een punt van stilte kruipen. Hij wilde zich niet verschuilen, dat betekende dat je achter iets was en dat iets moest nu juist weg. Dat dat dus niet kon, dat hij in het geluid gevangen zat, maakte hem tenslotte woedend. Hij was naar het ziekenhuis gegaan, van slapen kwam toch niets meer terecht.

In zijn spreekkamer belde hij de politie en nadat hij met de hoorbaar kauwende agent heeft gesproken, stak Frans, zijn hoofd om de deur: “Maak je al vorderingen met Carla?”
“Doe niet zo idioot, ze heet geen Carla. Ik hoop trouwens dat je haar ook niet als zodanig aanspreekt, dat maakt de zaak alleen maar erger.”
“Nou, dan zullen we toch eerst moeten weten van welke aard die zaak is. Heeft ze al iets gezegd?”
De dokter liep naar Roberts bureau.
“Nee.”
“Je zult toch snel met een diagnose op de proppen moeten komen, Robert. Volgens mij is ze behoorlijk gestoord, niet helemaal van deze wereld. Wat denk jij?”
Hij wist werkelijk niet wat te antwoorden. Zijn gevoel zei hem dat ze niet gek was, maar er was niets waaraan hij dat kon staven.
“Hoe het ook zij, als niemand op het bericht in The New York Times reageert, zullen we een beslissing moeten nemen. Het hersenonderzoek heeft trouwens niets opgeleverd. Zover wij het kunnen zien, is Carla fysiek gezond,” hij trok een wenkbrauw op. Het gesprek was ten einde.

Zijn blik maakt zich los van de wijzerplaat en richt zich op haar roerloze ogen: “Ik denk dat ik u begrijp, hoewel ik dat niet zeker weet en waarschijnlijk ook nooit zeker zal weten. Ik kan niets voor u betekenen. Laten we hopen dat iemand op het artikel reageert zodat u naar huis kunt.” Hij knikt naar het krantenknipsel op de tafel tussen hen in.

Op de een of andere manier moet ze haar evenwicht hebben verloren. Die vrouw keek ook niet waar ze liep. Daardoor was de man die een tijdje dacht dat hij kunstschilder was haar op straat kwijtgeraakt. Ze was niet weggelopen, ze moet ongemerkt van hem afgedwaald zijn. Knipperend tegen het daglicht stonden ze na die paar whisky’s buiten. Ze liepen wat doelloos rond en toen hij haar vroeg of zij ook weleens bang was dat de wolkenkrabbers met een zuchtje van de wind geruisloos om zouden vallen, keek hij naast zich. Geen idee hoe lang hij al alleen liep.
Peinzend tuurt hij, elf jaar later, naar de tekening die het kind op de grond heeft gemaakt. Even verderop trekt het met een nieuwe tak een pijl in de aarde en hij realiseert zich dat het geen boom is daar voor zijn voeten, maar een wirwar van pijlen in tegengestelde richtingen die anderen op een dwaalspoor moeten brengen.
Hij herinnert zich hoe hij op zoek naar een nieuwe baan het krantenartikel van een vermiste vrouw in The New York Times had gezien. De foto die ernaast was geplaatst vertoonde meer een silhouet van het gezicht, maar hij herkende haar onmiddellijk. Hij had de afbeelding uitgeknipt en ze hing nu tezamen met het bericht boven zijn werktafel aan de wand. Het krantenpapier was behoorlijk vergeeld.
Thuis bekijkt hij de foto. In geen tijden heeft hij ernaar gekeken, ze was een deel van de muur geworden, een beduimelde plek. Hij vraagt zich af of hij de onopvallendheid van haar verschijning kon vastleggen, een soort ingelijste vermissing. Maar een vermissing die wel in de herinnering blijft hangen als een hummende glimlach van een vrouw.
Hij pakt de telefoon en belt het ziekenhuis dat in het bericht vermeld staat, met de politie wil hij niets te maken hebben. Nee, zegt hij, hij is geen verwante van de vrouw. Maar hij had haar de dag dat ze in de plas was gevallen ontmoet en misschien, wie weet, kon hij van hulp zijn. Was het niet een beetje laat om elf jaar na dato contact op te nemen? Beter later dan nooit, antwoordt hij bij gebrek aan een betere verklaring. Hij moet lang wachten eer ze hem met de dokter die haar in behandeling had, doorverbinden en ook die man vraagt hem achterdochtig: “Waarom reageert u nu pas?” “Alles kent zijn juiste moment. Maar weet u wat? Vergeet het maar. Ik heb u niet gebeld.” Robert denkt aan haar onbeweeglijke blik, aan haar volstrekte onbereikbaarheid en zegt: “Laten we een afspraak hier in het ziekenhuis maken.”
In dezelfde stoel waar ooit de vrouw zat, vertelt de man het verhaal van die dag aan een afgematte psychiater. Hij laat niets weg, zelfs de monoloog over zijn mislukte schilderij niet.
“Toen ik vorige week een vrouw in het park zag die net zo liep als zij namelijk een beetje achterover, schoot het door me heen dat ze natuurlijk voorover was gevallen. Als je op die manier loopt kan zelfs een kiezelsteentje je uit je evenwicht brengen.”
“Hoe heet ze?” vraagt Robert nieuwsgierig alsof een naam een wereld van verschil zou maken. Maar de man weet het niet.
“Wat is er met haar gebeurd?”
Robert pakt de map die op de tafel tussen hen ligt. ‘Carla, Ziekenhuis Nummer 20954’ staat er op de voorkant. De psychiater haalt zijn schouders op: “Ik heb ze gezegd dat het ongepast was, iemand zomaar een naam te geven. Maar ze stonden erop dat ze een identiteit kreeg. ‘Carla’ is de vrouwelijke variatie van de naam ‘Carlo’ die aan de binnenkant van haar trouwring was gegraveerd. Moet u zich toch voorstellen hoe dat voelt om aangesproken te worden met een zinspeling op de naam van je echtgenoot. Wie weet, misschien verachtte ze die Carlo wel. Hij heeft in elk geval niet op het krantenbericht gereageerd, laat staan dat hij haar als vermist heeft opgegeven.”
Hij slaat de map op zijn schoot open: “Het rapport is niet lang. Ze hebben het snel opgegeven, of liever gezegd: haar. Luister. ‘Patiënt is apathisch. Patiënt zegt geen woord, noch tijdens de sessies, noch in de zaal.
Reactievermogen: geen. ‘Carla’ maakt geen oogcontact ofschoon ze psychiater”, Robert legt een vinger onder het woord ‘psychiater’ en kijkt de man tegenover hem even aan, “Dat is iemand anders. ‘psychiater zo nu en dan recht in de ogen kijkt. Volgens berichtgeving van Bellevue Hospital heeft patiënt geen last van verstarde ogen. Patiënt heeft ook geen hersenbeschadiging. Patiënt is fysiek gezond. Hoewel patiënt inert is, maakt zij geen depressieve indruk.”
Vijfentwintig november zijn ze begonnen met het toedienen van elektroshocks. Zonder resultaat kan ik u verzekeren.”
Verward kijkt de man naar de psychiater: “Wat bedoelt u? Waar is ze?” “In Central Islip State Hospital, State of New York, Department of Mental Hygiene.” Langzaam leest hij de woorden van het brievenhoofd voor en zonder zijn ogen op te slaan vertelt hij: “Ik heb haar een keer opgezocht. Dat was na die elektroshocks. Toen een van mijn collega’s me dat vertelde besloot ik erheen te gaan.” Hij richt zijn blik op de verspringende secondewijzer van de klok die achter de man hangt, “Niet dat ik de illusie had iets aan de situatie te kunnen veranderen. Tenslotte is er van hogerhand ingegrepen, daar kan ik geen invloed op uitoefenen. Ik ging tijdens het bezoekuur. Het kostte nogal wat moeite eer ik permissie kreeg haar te zien, ik was immers geen bloedverwant. Maar ik overtuigde ze dat het een trieste aangelegenheid was, opgesloten te zitten zonder dat iemand aandacht aan haar schonk. Ik geloof dat ze dachten dat ik niet helemaal goed snik was, maar na veel gemier mocht ik haar zien, wat kon het hen uiteindelijk ook schelen. De vrouw was veranderd. Ze spuiten haar natuurlijk plat, alsof ze al niet vlak genoeg van haarzelf is. Haar enkels waren opgezwollen en ook haar gezicht was opgeblazen. Het was pijnlijk haar in die staat te zien. Het was ook een eigenaardige ervaring, want toen ik haar zag, zo uitdrukkingsloos, realiseerde ik me dat ze vroeger wel degelijk expressie vertoonde. Het vervelende is dat ik me die niet meer voor de geest kan halen, terwijl ik toch uren tegenover haar in deze kamer heb gezeten.
De man die ooit het licht van een gitzwarte nacht wilde schilderen, schoot overeind: “Heb je haar weleens horen hummen? Ik wel. Ze humde een of ander lied, iets Amerikaans warempel. Nu ja, dat meende ik te horen. En dat hummen bracht iets van een glimlach in haar ogen.” Hij raakt op dreef, terwijl Robert hem zwijgend aankijkt: “Ja, het was een hummende glimlach of een glimlachende hum en dat verwijst natuurlijk naar een hunkerende aanwezigheid die uitreikt naar iets of iemand die ik, de toeschouwer, niet kon zien. Wat een gebrek aan verbeeldingskracht.” Hij slaat zich tegen het voorhoofd. Te laat, hij had te laat het licht gezien.
Robert gaapt de man aan en overweegt een nanoseconde of deze man tegenover hem zittend eigenlijk de patiënt was, de ware aanstichter van de val van de vrouw. Hij schudt de gedachte van zich af en zegt niet zonder spijt:
“Nee, ik geloof niet dat ik haar heb horen hummen. En mocht ze dat inderdaad ooit gedaan hebben, dan was dat wel verstomd daar in het hospitaal. Natuurlijk zei ze niets gedurende mijn ziekenbezoek, maar dat was ik inmiddels van haar gewend. Op de een of andere manier ben ik haar stilte gaan respecteren en dat was trouwens ook precies de reden dat ze haar uit mijn handen hebben genomen. Toen bleek dat ik niet in staat was een diagnose op te stellen en niets op papier kon krijgen, hebben ze haar aan mijn collega gegeven. Die heeft meteen korte metten gemaakt. In een ommezien verklaarde hij haar geestelijk gestoord, omdat het nu eenmaal niet normaal is dat iemand zijn mond niet opendoet. Ontoerekeningsvatbaar, zei hij. Niet lang erna hebben ze haar vanwege die diagnose weggebracht. Ik vraag me af, misschien was ze beter in het centrum voor thuislozen af geweest, hoewel, ik weet het niet, dat heeft weer zoiets als een afgedankt verloren voorwerp.’
“Ja,” zegt de man.
Ze zwijgen, Robert probeert te luisteren naar de klok, zelfs al weet hij dat het getik alleen te horen is als hij zijn oor tegen de wijzerplaat drukt.
“Ik wil haar zien,” de man weet zelf niet wat hij hoort, waarom hij dit zegt.
Robert schudt zijn hoofd en legt het rapport terug op de tafel: “De vrouw die u gezien heeft, bestaat niet meer. Zij ziet er totaal anders uit. Ik vraag me zelfs af of u haar zou herkennen, Ze zullen u trouwens niet toelaten. Als arts kostte het mij al moeite, Waarom wilt u haar eigenlijk zien?”
Als de man niet antwoordt, gaat de psychiater vriendelijk verder: “Luister, ik begrijp niet goed waarom u nu pas gekomen bent, maar aan de andere kant is het geen ramp. Ik bedoel, u wist ook niets van haar en we zouden geen stap verder gekomen zijn. U hoeft zich niet schuldig te voelen. U kunt haar niet zien, u zult zich met de herinnering tevreden moeten stellen.”

De vrouw in de lichtblauwe, rechte ziekenhuisjurk was de enige passagier in het denderende busje, De handen rustten in haar schoot, de enkels waren gekruist, haar hoofd was half naar de raampjes toegewend, ze hadden tralies alsof ze een staatsgevaarlijke gek was. Het stenen landschap van de stad schoot schoksgewijs voorbij. Op weg naar Central Islip State Hospital spande de hemel zich als een helverlichte koepel over het lichtgrijze busje. En niemand die haar hummen hoorde I’ll be seeing you/in all the old familiar places/that this heart of mine embraces/all day through.

Dit verhaal is gebaseerd op en geïnspireerd door een ware, naoorlogse gebeurtenis.
Brooklyn, 1995 

Woorden van

Karin Melis/schilderij 'Dreamland' is van Leonoor Ruigrok, www.laceruig.nl

Gepubliceerd op

Geplaatst in

Lees hierna

Dit zijn woorden van

Karin Melis/schilderij 'Dreamland' is van Leonoor Ruigrok, www.laceruig.nl

Filosoof

Laat een reactie achter