Het planten van een boom

Bij wijze van inzegening van het Community Centre, gelegen in de binnenlanden van Sri Lanka, werden er begin augustus twee bomen geplant. Dick de Groot, Consultant Onderwijsprojecten en initiatiefnemer, plantte een van de bomen. Het werd een moment vol van hoop en betekenis. Dick schreef er een verhaal over en raakte daarmee een ander verhaal waarin een leraar een leerling vond. Net zoals hijzelf. 

De hitte van de dag begon zich al aan me te hechten. Het was nog vroeg. We hadden de vorige dag de lange bochtige weg via Ratnapura genomen om naar het binnenland te rijden. Langs de weg, langs de grens van de natuur en de cultuur, waar de mens oprukt, stond hier en daar een olifant te kijken naar het verkeer dat langskwam. Ze zijn kleiner dan in Afrika, donkerder van kleur ook met hier en daar roze vlekken. Ze hebben last van de mensen, hoewel die het omgekeerde zeggen wanneer olifanten door hun velden trekken, langs eeuwenoude routes. Er staan bordjes langs de weg om aan te geven waar een oversteekplaats is, een soort zebrapad voor olifanten.

Overal langs de weg zijn mensen bezig, die zich op allerlei manieren verplaatsen. Voetgangers, brommers, scooters, motoren, fietsen, auto’s, bussen, vrachtwagens. Ze vloeien als kleine en grote golven door de bedding van de weg die eindeloos meandert alsof dat zou helpen om de stroomsnelheid laag te houden. Boven de bedding hangen de kwalijke dampen van deze uitzonderlijke in twee richtingen lopende rivier. Af en toe stopt de chauffeur om te offeren aan Boeddha. Tempels langs de route nodigen daartoe uit. Een garantie voor een veilige thuiskomst biedt de gift niet, maar het helpt om weer even stil te staan bij betekenissen van het leven tussen geboorte en dood.

We zijn vanmorgen om 5 uur vertrokken om op tijd bij het Community Centre te zijn. Bij dat centrum is sinds vorig jaar een Community College verschenen, een ruime hal die plaats moet gaan bieden aan allerlei soorten activiteiten die te maken hebben met leren. Vanmiddag wachten daar 50 studenten op mij. Ik moet hen uitleggen hoe ze dienstbaar kunnen zijn aan hun gemeenschap met wat ze inmiddels bij hun studie hebben opgestoken. Na het bezoek van vorig jaar was ik op de gedachte gekomen om iets te gaan doen voor de grote groep schoolverlaters die zichzelf bijna veroordeeld ziet tot niets doen, een beetje helpen op het land, voor het huisje van hun ouders uitkijken over een eindeloos perspectief van onbestemdheid die als de warmte boven de droge, hete grond hangt. De onberekenbaarheid van de mens heeft de moesson van slag gebracht. Dat heeft in dit van regen afhankelijk landbouwgebied diepe sporen nagelaten. Veel mensen trekken naar de stad in de hoop daar nog iets te kunnen verdienen. Ze zijn inmiddels verbonden geraakt met de geldeconomie. Het verbouwen van voedselgewassen heeft al lang plaatsgemaakt voor gewassen die je op de markt verkoopt. Mensen hebben geld nodig als ze hun kinderen willen laten doorleren. Maar dan moeten die kinderen wel heel goed zijn, anders is het weggegooid geld. Daarom hangen de meeste jongeren tegen hun ouderlijke hut of ergens in de dorpen met niets te besteden. De paar gelukkigen die door mogen leren zijn afhankelijk van beurzen om naar de huiswerkklassen te kunnen. Dat zullen ze tot aan hun afstuderen van de universiteit moeten blijven doen. We hadden ze gevraagd om naar het Community College te komen, in het weekend, voor een eerste overleg nu meer dan een jaar geleden.

Vorig jaar zat het zaaltje vol, zelfs een aantal ouders was meegekomen. De meeste studenten zijn net als hun ouders klein van stuk, al zijn er een paar jongens die een uitzondering vormen. Ik zie het nog voor me, een groep van veertig studenten, die in stilte luisteren naar mijn gids en begeleider Tharidu, die de reden van onze komst uitlegt en mij voorstelt. Daarna geeft hij mij het woord.

“In Afrika heb ik iets bijzonders geleerd”, begin ik, “en dat wil ik met jullie delen. Het gaat over de betekenis die we aan ons leven kunnen geven. Daar, in Afrika, zeggen ze dat als we geboren worden, we het kind zijn van onze ouders, die ook weer ouders hebben en dat we wanneer we het levenslicht zien afstammen van een lange keten voorouders. In ons leven zij voort. Ze zitten in ons DNA. Dankzij hun zijn we geen onbeschreven bladen als we geboren worden. Wat we meekrijgen is niet altijd gunstig, maar we moeten er mee leven. Eenmaal geboren zijn er zoveel mensen die ons helpen, direct of indirect, te worden wie we zijn: onze ouders, onze broers en zusters, ooms en tantes, grootouders, neven en nichten, buren, dorpsbewoners, leraren en leraressen, iedereen draagt bij aan onze ontwikkeling. We herkennen al vroeg wat daar goed aan is, maar ook wat lastig is, wat ons in de weg staat, dat we keuzen moeten maken. Toch is het zo, omdat we zo bepaald zijn door onze voorouders en door allen die we in ons leven ontmoeten, dat het belangrijkste doel in ons leven is om anderen te helpen om te worden wie ze zijn. In Afrika zeggen ze: ‘ik ben omdat wij zijn’.”

“Jullie willen wat voor anderen betekenen, dat is jullie gevraagd, ook als gebaar van goede wil vanwege de vele jaren dat jullie financieel zijn ondersteund om je diploma te halen, om toegelaten te worden tot de universiteit, om toegang te krijgen tot functies van invloed,
Hier, in jullie geboortestreek, zijn veel leeftijdsgenoten niet in de gelegenheid om door te leren. Maar ook zij willen een bestaan opbouwen, genoeg verdienen om een huis te bouwen, om een huwelijkspartner te vinden, om mee te werken aan de opbouw van het land.”

Ze luisteren geduldig naar de vertaling. Een enkeling spreekt Engels, dat zie ik aan hun manier van luisteren. Mijn tolk daagt hen uit om mij vragen te stellen. Maar het blijft stil. Hij moedigt hen opnieuw aan, maar zonder reactie. Een van de moeders probeert te helpen, door hen er op te wijzen dat ze nu de kans hebben van alles te vragen aan deze Europeaan.

Ik begrijp hun verlegenheid. Zo gaat het vaak in grotere groepen. Wie durft dan de eerste te zijn? Dat zeg ik tegen hen, dat vragen stellen moeilijk is. Ik geef het voorbeeld van Einstein. Het verhaal gaat dat altijd als Albert uit school thuiskwam, zijn moeder hem vroeg:

‘Albert, heb je de goede vragen gesteld op school?’

“De moeilijkheid bij het stellen van vragen is goed geformuleerd door de moeder van Albert. Soms wil je een vraag stellen, maar opeens vraag je je af of dat een vraag al eerder is beantwoord in de les. Of je vindt je vraag te voor de hand liggend en probeert een moeilijkere vraag te stellen. Dat is precies de reden waardoor Albert Einstein zich afvroeg: ‘Wat is een goede vraag?’ Wat vinden jullie een goede vraag?”

Ik observeer ze. Sommigen overleggen een beetje met elkaar, maar de meeste studenten zitten stil en wat ongemakkelijk voor zich uit te kijken. Ik heb geen idee hoe het met het vertalen gaat, wat er gebeurt met Nederlandse woorden die vertaald worden in het Engels die vertaald worden in het Singalees die vertaald worden in het Engels en die in mijn hoofd leiden tot een interpretatie in het Nederlands. Dan staat een kleine jonge vrouw op.

“Mijn naam is Madhusa,” zegt ze. “Ik zou uw vraag willen beantwoorden, maar ik weet niet goed hoe ik het zeggen moet. Ik denk dat een goede vraag naar de reden vraagt voor iets wat je doet. Zoals u uitlegt dat we veel kunnen betekenen voor onze leeftijdsgenoten hier in het district, zo roept dat bij mij de vraag op hoe we dat zouden kunnen doen.”
“Het zou kunnen, Madhusa, dat je mijn vraag al aan het beantwoorden bent. Als dat zo is word ik daar blij om. Jouw ‘hoe-vraag’ volgt op de vraag: ‘Waarom zou ik mijn leeftijdsgenoten helpen?’ Door je af te vragen hoe je dat wilt doen, toon je je bereidheid dat je het wilt doen. Dank je daarvoor. “

Ik wacht even op de vertaling voor de anderen, maar ik zie dat Madhusa instemmend knikt.

“Ik denk dat Albert Einstein tot de conclusie kwam dat goede vragen de eerste vragen zijn: de waarom-vragen. Die vragen leiden vanzelf tot vervolgvragen. Maar ook: die vragen kun je altijd en overal blijven stellen.Net als aan leren, komt daaraan geen eind.”

Ik bedenk opeens dat het stellen van vragen in deze cultuur misschien niet vanzelfsprekend is. Dus vraag ik ernaar, hoe vaak ze vragen stellen in de lessen, hoe die vragen worden ontvangen en beantwoord. Als de vraag vertaald is, zie ik veel studenten reageren. Nog voor mijn tolk me uitlegt wat ze ervan vinden, begrijp ik het al. Ze stellen geen vragen. Het is hen afgeleerd. Ze moeten luisteren, lestijd is te kostbaar om de leraar te onderbreken met vragen. Dan kan hij niet vertellen wat hij moet vertellen. Ik moet hen aanmoedigen tot het stellen van vragen. Later hoor ik van mensen, die te maken hebben met pas-afgestudeerden, dat die over heel veel kennis beschikken, maar dat die kennis improductief is, ze weten niet wat ze er mee kunnen. Dat moet hen allemaal nog geleerd worden.

Ik begrijp meteen dat ik de vorm van werken moet wijzigen. Ik moet hen activeren, ze moeten loskomen, zich vrij voelen, accepteren dat het normaal is dat een mens die vragen heeft ze ook stelt. Loskomen uit een stramien van luisteren en stilzitten. Ik deel hen in in kleine groepjes, ook de ouders betrek ik erbij, en verzoek hen om samen antwoorden te bedenken op een vraag die ik ga stellen. Na enige tijd zal ik dan per groepje vragen wat er bedacht is aan mogelijke antwoorden.

“Dit is mijn vraag aan jullie. Stel dat je volgend jaar minister van onderwijs was, wat zou je dan als eerste veranderen?” Ik nodig hen uit een rustig plekje te zoeken, in en om het gebouw. Drie groepjes, waaronder de ouders, vinden een plekje onder de oeroude boom voor het gebouw van het centrum.

Er volgt een levendige discussie waarvan de antwoorden op mijn vraag niet in de eerste plaats belangrijk zijn, maar de activering die plaats vindt, de betrokkenheid die ik van hun gezichten lees, want ze weten precies wat ze zouden willen veranderen en dat leggen ze elkaar uit.
Madhusa stapt na afloop naar me toe.

“Sir, u hebt ons geholpen onze manier van denken te veranderen. Ik heb mezelf al zo vaak afgevraagd waarom we nooit mogen praten over de waarde, over het waarom van wat we leren. U heeft ons dat vandaag duidelijk gemaakt. U bent een van de mensen die anderen helpt te worden wie ze zijn. Mag ik met u contact houden, want ik weet dat er is zoveel is dat ik van u kan leren.”

Sindsdien hebben we regelmatig uitgebreide chats over onze werelden, over het Boeddhisme en de Westerse cultuur, over de toekomst van onze wereld, over haar persoonlijke levensverhaal, over het terrorisme in april 2019 en over de oorlog die in 2009 werd beëindigd.

Het eerste wat me opvalt bij aankomst is de oude boom die verdwenen is. Voor je het gebouw zag, zag je de boom. Niet te schatten hoe oud hij was. Op de plek van de oude boom groeide gras in de schaduw. Nu is alles kaal en stoffig. Het zal heel wat water kosten om het terrein weer groen te krijgen, want ook de schaduwen houden de vochtigheid niet meer vast. Na de hartelijke begroeting door het team van het centrum is het een van de eerste vragen die ik over het verdwijnen van de boom stel. Er klinkt terughoudendheid in het antwoord. Mensen uit de omgeving, leden van de dorpsgemeenschap, mensen die het beter hebben, die je ze zelfs rijk zou kunnen noemen, zijn er niet zo voor dat er ontwikkeling plaats vindt in het gebied. Ze zijn bang dat hun positie erodeert, dat anderen ook succesvol worden, dat er concurrentie komt, dat arme mensen geholpen worden om zich te organiseren en samen te werken, waardoor de bestaande elite het minder voor het zeggen krijgt. Dus hebben ze de boom gedood. Niet alleen een vorm van terrorisme, maar tegelijkertijd veelzeggend over het totale ontbreken van respect voor de natuur. Zoals in mijn land boeren houtwallen slopen om meer ruimte te hebben voor het uitrijden van mest, zo toont zich in deze dood de ontkoppeling van het menselijk handelen en het respect voor de natuur. Opschalende landbouw is onverenigbaar met natuur.

Een oud verhaal lekt over de rand van mijn geheugen. Het wordt verteld door iemand die waarschuwt voor machtsmisbruik, van een koning, aan de macht gekomen na een staatsgreep.

De bomen gingen op weg om een koning te kiezen, maar ze waren er nog niet uit wie dat zou moeten worden. Toen ze zich verzameld hadden en ze rondgekeken hadden en hun gedachten hadden laten gaan over wie het zou moeten worden, was de olijfboom de eerste die aangesproken werd.
“Zou jij koning over ons willen worden?”, vroegen ze hem.
“Oh nee”, zie de olijfboom. “Dat zou toch zonde zijn, want dan zou al mijn energie gaan zitten in het regeren van jullie en ik zou geen vrucht meer voortbrengen. Zouden God en mensen mijn olijven en olie nog prijzen?”
De vijgenboom was de volgende.
“Vijgenboom, wordt onze koning.”
Maar de vijgenboom kwam met hetzelfde argument.
“Dan zou ik geen zoete vruchten meer dragen, die zo gewaardeerd worden door mens en dier. En dat alleen om boven jullie te zweven?”
De wijnstok, hoewel de mindere onder de bomen vanwege zijn bescheiden uiterlijk, kreeg dezelfde vraag.
“Absoluut niet”, zei hij, “als de vruchten die ik voortbreng voortaan bestaan uit me boven jullie verheven weten en jullie belang te moeten bepalen, waarvan zullen God en mensen dan nog vrolijk worden?”
Uiteindelijk kwamen ze uit bij de vuurdoorn. Die was wel genegen om het koningschap op zich te nemen.
“Als jullie mij werkelijk als koning willen accepteren, kom dan in mijn schaduw staan.
Maar zo niet, dan zal mijn vuur jullie verteren.”

Dat wat vrucht draagt legt het af tegen stekels en vuur. De schaduw van de vuurdoorn is niet alleen verwaarloosbaar, maar heeft bovendien de prijs van een ongemakkelijke stekeligheid. Alle keuzen hebben consequenties.

Ruwini, de directeur van het Community College haalde me terug uit mijn gedachten. Ze is aangesteld om het college, dat vorig jaar als idee ontstond en waaraan het afgelopen jaar al hard gewerkt was, verder te ontwikkelen. Mij is gevraagd om dat proces te ondersteunen. Ik had niet kunnen vermoeden hoe dit idee zou groeien en rijpen.

Voordat we beginnen met het uitwisselen van ideeën, worden mijn Singalese collega Tharidu en ik gevraagd om naar buiten te komen. Als ik hoor wat de bedoeling is, realiseer ik me hoe bijzonder deze dag begint. De staf van het Community College, heeft bedacht dat wij beiden een boom zullen gaan planten, hij als de all time wijze man en drijvende kracht achter bijna alle projecten in het gebied, ik als aandrager van een idee voor een Community College. Ik mag eerst. Het gat is al gegraven, een jonge mangoboom staat klaar.

Achteraf probeer ik me dit nog eens voor ogen te halen. Twee mannen op leeftijd, 70-gers, beiden met een rijke verzameling aan ervaringen op allerlei plekken in de wereld. Hij director operations van Sarwodaya Sramadana, een sociale beweging die ik al kende en bewonderde toen ik nog studeerde. Een beweging die in de tijd van de tsunami in 2004 buitengewoon goed werk gedaan heeft om getroffen gezinnen en dorpsgemeenschappen te helpen weer orde op zaken te krijgen, na het verlies van 35.000 doden en een enorme materiële schade. Zelf afkomstig uit een oud en voornaam geslacht met Portugese wortels, was hij altijd actief geweest in zijn land, maar ook in Mexico en Bolivia, in de Verenigde Staten en in verschillende landen in Afrika bij het bestrijden van armoede. Met mijn bescheiden achtergrond op het gebied van onderwijsprojecten, waarbij ik naast mijn gewone werk betrokken was, voornamelijk in Afrika, sta ik diep in zijn schaduw. Ik voel me vereerd om met hem samen te mogen werken. En beiden bezig een boom en daarmee een symbool te planten. Een symbool van vrucht dragen, schaduw bieden, groei. “Een mangoboom?”, vraag ik verheugd, “Omdat daaronder mensen samenkomen om te overleggen over alles wat hen betreft? Omdat daaronder in veel landen aan kinderen wordt lesgegeven bij gebrek aan een lokaal? Zoals ik vorig jaar studenten en hun ouders onder de oude boom zag zitten?”

“Daarom,” zegt Ruwini. “en omdat we bovendien allemaal veel houden van mango’s. Nadat onze oude boom gedood was, ontstond het idee om een nieuwe boom te planten. Maar al snel kwamen we op het idee om er twee bomen van te maken. Daarmee willen we aangeven dat alles in verbinding gebeurt. Ook al leven de haarwortels van de oude boom, die alleen stond, nog voort in de aarde en staan die in verbinding met bomen in de wijde omtrek, het beeld van twee bomen die samen opgroeien toont wat we willen bereiken. Samen groeien.”

Ik zet de jonge boom in het plantgat. Ze hadden al mest op de bodem aangebracht. Met een combinatie van aarde en water vul ik het gat op. Als het vol is, maak ik een cirkelvormige geul rond het boompje, zodat het water dat dagelijks gegeven moet worden, niet weg zal stromen. Het voelt bijna als een sacraal moment, iets dat me overkomt in het besef dat dit een plechtig moment is, dit symbool voor hoop, voor toekomst, voor voorspoed. Ik kan het niet goed beschrijven, maar ik heb de behoefte om iets te doen, een gebaar te maken. Met een soort ‘let niet op mij’-gevoel, zeg ik tegen de boom dat hij groot zal worden en dat er mensen onder zullen komen zitten, die zullen praten over de dingen van de dag. Over het Community College, de plaats om te leren. Over het waarom van zoveel dingen. Over het verbinden van mensen, dat ontstaat bij ontmoeten. Over alle kennis, ervaring en vaardigheden die onder de boom gedeeld zullen worden om armoede te weren. En over Prasadika, de vrouw die zich onder de boom zal herinneren dat ze op een dag als studente een blanke man heeft beloofd dat ze een toegewijde lerares zal worden en die hoopte dat haar leerlingen haar met liefde zullen herinneren, nadat ze zelf gezegd heeft dat de ontmoeting met die man met zijn witte haren een keerpunt in haar leven is, dat hij haar enorm had geïnspireerd en dat hij haar overtuigd had dat haar werken in het onderwijs haar leven waardevol zou maken en dat in zijn ogen verwondering en verwachting te lezen was.
Als ik de boom aanmoedig om groot te worden en schaduw te bieden aan allen die schaduw en anderen zoeken, hef ik als een soort oud gebaar mijn armen op. Alsof iets in mij zich herinnert dat je een boom zo kunt opdragen aan iets dat ons overstijgt.

Een kwartier later begint het te regenen. Voor het eerst sinds tijden. Het ratelen van de regendruppels op het golfplaten dak van het Community College doet alle gesprekken verstommen en alle mensen lopen naar het raam om naar de regen kijken.
“Je zegening van de boom heeft meteen gevolgen”, zegt Ruwini.

In Colombo aangekomen, na een rit van zes en een half uur, overdenk ik het resultaat van dit bezoek. Het had veel meer opgeleverd dan ik me had voorgesteld. In alle gesprekken werden van alle kanten ideeën aangereikt om van het Community College de plaats te maken om te leren. Dat is het immers: Community College, your place to learn.

Die avond ontvang ik een email van Madhusa. Ze vraagt me of we de volgende ochtend kunnen afspreken, ergens in het centrum. We besluiten om in het Old Dutch Hospital te gaan lunchen. Ze is erg geïnteresseerd in het resultaat van mijn bezoek. Hoewel we elkaar toen maar een paar uur hebben meegemaakt en kort gesproken, lijkt het alsof we elkaar al goed kennen dankzij onze chat-gesprekken. Ze heeft me verteld over de dagen dat ze thuis moest blijven van school, omdat er olifanten waren gesignaleerd, en dat dit regelmatig voorkwam. Ik vertelde haar over dezelfde ervaring van kinderen die in Nyango in Kenya naar hun school gaan. Onder de lunch vertelt ze me over haar jeugd.

“De omstandigheden thuis waren een aanmoediging om hard te werken. Om verandering teweeg te brengen. Mijn vader heeft geen onderwijs gehad. Hij is nu erg goed voor ons, maar in het verleden zag ik hem als een moordenaar. De enige persoon waar ik bang voor was, was mijn vader. Hij behandelde mijn moeder slecht. Hij sloeg haar en mij. Op een dag verliet mijn moeder met mijn jongere broertje en mij het dorp. We gingen naar familie in een andere streek. Mijn vader had een affaire met een andere vrouw en hij probeerde mijn moeder te doden. Onze toekomst zag er niet kansrijk uit om de vrede terug te vinden.”

De blik in haar ogen draait naar binnen. Ik kijk naar haar, een kleine jonge vrouw, ogenschijnlijk kwetsbaar, die ondanks wat ze had meegemaakt met een soort onverzettelijkheid al zoveel heeft bereikt.

“Ik wil een goed thuis bouwen. Hier vragen mijn vrienden van de universiteit me of ze met me mee naar huis kunnen. Dan weet ik niet wat ik moet zeggen. Mijn moeder is niet thuis, ze werkt hier in de stad. Mijn vader past op mijn broer. De meeste van mijn medestudenten hebben geen idee hoe ik woon. En wat onze omstandigheden zijn. Ik herinner me dat toen ik in de laatste klas van de basisschool zat mijn vader een tractor kocht. Het systeem is dat boeren geld lenen van zakenlieden voor de kosten om hun grond te kunnen cultiveren. Het is een soort lening, waarbij je belooft om terug te betalen met een deel van de oogst. Maar als de oogst wordt aangetast door insecten, of als er niet genoeg regen is, dan is er niet genoeg opbrengst en dan kan de lening niet terugbetaald worden. Mijn vader kon daardoor niet aan zijn verplichtingen voldoen. Toen heeft mijn moeder een lening gekregen van een NGO, Ze moest elke maand iets terugbetalen, ook voor de rente. Uiteindelijk lukte het allemaal niet, ook mijn onderwijs bracht kosten met zich mee, kosten voor de huiswerkklas. Doordat mijn ouders het niet voor elkaar kregen om voldoende geld bijeen te krijgen, raakten ze de tractor kwijt. Het contract liet daarover geen twijfel bestaan. Het is in het Engels opgesteld en mijn ouders hebben nooit precies begrepen wat er in staat. De geldschieters kwamen naar ons huis, mijn moeder moest zich verbergen. Ik hoor mijn vader nog schreeuwen van frustratie en ergernis, omdat hem geen ruimte werd geboden. Onder deze omstandigheden kreeg ik bericht dat ik toegelaten was tot de universiteit. Ik heb heel veel geluk gehad dat ik een beurs kreeg voor het volgen van de huiswerkklassen. Dat heeft me gered, daardoor heb ik bereikt dat ik nu bijna ben afgestudeerd.”

Ze is niet gewend aan de omgeving waarin we ons bevinden. Dit oude gebouw van Nederlands-koloniale oorsprong was een plaats om zieken te verzorgen. In die tijd vanzelfsprekend niet voor de ‘inlanders’, maar voor de blanke elite. Nu ben ik er de enige blanke. Terroristische aanslagen hebben enorme economische gevolgen die jarenlang effect kunnen hebben. Voor negatieve reisadviezen zijn touroperators buitengewoon gevoelig in onze risicomijdende beschaving.

Ik geef mijn jonge gast voorzichtig wat aanwijzingen bij de lunch. Ik ben ervan overtuigd dat ze de kans krijgt om in het buitenland te gaan studeren. Zoals ik in het gebied waar haar ouders wonen moest wennen aan het eten met de rechterhand, zo zal zij moeten wennen aan bestek en andere eetgewoonten om zich niet ongemakkelijk te voelen. Trouwens, ook in deze hoofdstad heeft de rechterhand de voorkeur boven bestek.

“Mijn moeder heeft nu een baan bij een beveiligingsdienst in de nachtploeg,” vervolgt Madhusa. “Iedere maand lost ze schulden af. Ik wil succes hebben in wat ik kan bereiken, zodat ik voor mijn ouders kan zorgen, hen kan helpen van de schulden af te komen. Ik denk dat mijn vader te oud wordt voor een tractor. Maar op zijn minst wil ik helpen zorgen dat het hen aan niets ontbreekt als ze ouder worden. Ik heb dromen die ik waar wil maken. Ik kom uit een erg achtergelegen gebied. De vrienden en andere jongelui uit mijn dorp trouwen vroeg terwijl ze nog op school zitten. Ik heb geen vriend, want ik wil me nog ontwikkelen. Ik wil niet iemand als mijn vader trouwen, die me regels oplegt die me beperken. Dus heb ik Engels geleerd, zo goed als ik kon en ik probeer dat continu te verbeteren. De enige weg om de wereld te winnen is Engels. Ik geloof daarin alsof het om een godsdienst gaat. Op een dag vroeg onze leraar Engels wie er uit de provincie afkomstig was. Ik stak mijn hand op. Ze waren verbaasd dat ik de taal zo goed beheers. Mijn medestudenten komen voornamelijk uit Colombo en zij hebben al jaren les gehad.
Ik geloof in mezelf. Het afgelopen jaar heeft u dat geloof versterkt en ook nu zie ik aan u dat u in mij gelooft. Ik heb veel van u geleerd en ik hoop nog veel te leren. Ik weet dat ik altijd met vragen bij u terecht kan, ook al stelt u vaak wedervragen. Ik heb de moed om te doen wat ik doe.”
Ik vertel haar dat ik enorm trots op haar ben, en dat haar ouders enorm trots kunnen zijn op een dochter hard werkt en die zo toegewijd is.

Thuisgekomen ontvang ik een paar berichten op mijn mobiele telefoon. Madhusa en ik hadden het gehad over de kracht van verhalen. Ze beloofde me een verhaal te sturen dat veel indruk op haar heeft gemaakt. In haar bericht vind ik een pdf van het boek ‘Duishen’, van de Kirgizische schrijver Chingiz Aitmotov. Het gaat over een leraar die in een achtergebleven dorp een school sticht, tegen de weerstand in van de dorpsbewoners die het onzin vinden. Maar hij zet door en verbouwt met zijn blote handen een oude stal. Een van zijn leerlingen, het oudste meisje van de klas, Altynai, is enorm leergierig. Ze bewondert haar leraar om zijn geduld en omdat hij al zijn kennis ter beschikking stelt aan zijn leerlingen, om de liefdevolle manier waarop hij naar zijn leerlingen luistert en hen laat leren door op hun vragen in te gaan.

“Ik herinnerde me dit onderstreepte gedeelte van het verhaal van Duishen toen u me vertelde over het planten van de bomen voor het Community College.” schijft ze. “Over hoe u zich voelde toen u de boom plantte. U bent zo’n Duishen voor mij, terwijl ik een Altynai probeer te worden. Lees het alstublieft.”
Ze vervolgt met het onderstreepte deel:

“Jij en ik hebben werk te doen, Altynai,” zei hij op een mysterieuze toon. “Ik heb deze twee jonge populieren voor je meegebracht. We gaan ze planten, samen. Als ze opgroeien en sterker worden, zul jij ook sterker worden en opgroeien als een schitterende vrouw. Je hebt een goed hart en een onderzoekende geest. Jij zult een geleerde vrouw worden. Ik ben ervan overtuigd dat het zo zal gaan; je zult het zien, je bent bestemd om een geleerde te worden. Deze scheuten zijn als jij, ze zijn zo jong en tenger. Laten we ze planten met onze eigen handen, Altynai. En dat je geluk moge vinden in het leren, mijn dierbare stralende ster…”
Lees hier het indrukwekkende verhaal over Duishen.

Zo stel ik het me voor. Je ziet ze al van ver. Twee majestueuze populieren. Als ernaar gevraagd wordt in het dorp, wordt steevast gezegd: “Je bedoelt ‘de school van Duishen’”. Van het oude schoolgebouw zal geen spoor meer te vinden zijn, maar de bomen houden de naam van die eerste leraar in ere. Als over de wijde steppe de trekvogels komen aangewaaid, doen ze de populieren aan. Kinderen van het dorp komen vaak naar de heuvel waarop ze staan. Ze klimmen omhoog om net als Altynai deed in de verte te staren, achter de heuvels, over de eindeloze steppe. Ze dromen over de dag dat ze op pad gaan om de wereld te ontdekken ook al is alles beneden uitzichtloos.

Populieren zijn bewegelijk. Alle blaadjes komen in beweging bij het minste geringste zuchtje wind. Ze geven hun gefluisterde boodschap mee met de noordelijke moesson. Ver naar het zuiden, voorbij India, over de zee-engte met Sri Lanka, bereikt hun gefluister twee jonge mangobomen, geplant voor een soort school, een plaats voor iedereen om te leren, van elkaar, aan elkaar. Een vrijplaats voor het opdoen en doorgeven van kennis, ervaringen, vaardigheden.
“Groei, groei!”, klinkt de echo van de populieren in de oren van de mangoboompjes, “Wordt groot en sterk. De oude boom is dood. Jullie markeren het begin van een nieuwe tijd.”

Woorden van

Dick de Groot

Gepubliceerd op

Geplaatst in

Lees hierna

Dit zijn woorden van

Dick de Groot

Consultant Onderwijsprojecten

Laat een reactie achter